Art. 5 Verordening (EU) nr. 1305/2013, Prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling

Verordening (EU) nr. 1305/2013

De verwezenlijking van de doelstellingen van plattelandsontwikkeling, die bijdragen aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, wordt nagestreefd aan de hand van de volgende zes prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling, die de relevante thematische doelstellingen van het GSK weerspiegelen:

1) bevordering van de kennisoverdracht en innovatie in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden, met bijzondere aandacht voor:

a) het stimuleren van innovatie, samenwerking en de ontwikkeling van de kennisbasis in plattelandsgebieden;

b) het verstevigen van de banden tussen de landbouw, de voedselproductie en de bosbouwsector, en onderzoek en innovatie, mede met het oog op een beter milieubeheer en betere milieuprestaties;

c) het stimuleren van een leven lang leren en beroepsopleiding in de landbouw- en de bosbouwsector;

2) het versterken van de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf en het concurrentievermogen van alle landbouwtypen in alle regio's en het bevorderen van innovatieve landbouwtechnologieën en het duurzaam bosbeheer, met bijzondere aandacht voor:

a) het verbeteren van de economische prestaties van alle landbouwbedrijven en het faciliteren van de herstructurering en modernisering van landbouwbedrijven, met name met het doel de marktdeelname en -gerichtheid alsmede de landbouwdiversificatie te vergroten;

b) het faciliteren van de instap van goedgeschoolde landbouwers in de landbouwsector, en in het bijzonder van de generatiewissel;

3) bevordering van de organisatie van de voedselketen, met inbegrip van de verwerking en afzet van landbouwproducten, dierenwelzijn en het risicobeheer in de landbouw, met bijzondere aandacht voor:

a) het verbeteren van het concurrentievermogen van de primaire producenten door hen beter te integreren in de agrovoedselketen met behulp van kwaliteitsregelingen, het toevoegen van waarde aan landbouwproducten, het bevorderen van landbouwafzet op plaatselijke markten en korte toeleveringsketens, producentengroeperingen en -organisaties en brancheorganisaties;

b) het steunen van risicopreventie en -beheer op het niveau van het landbouwbedrijf;

4) herstel, instandhouding en verbetering van ecosystemen die verbonden zijn met de landbouw en de bosbouw, met bijzondere aandacht voor:

a) het herstellen, in stand houden en versterken van biodiversiteit, met inbegrip van Natura 2000-gebieden, en in gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen, en van landbouw met een hoge natuurwaarde, alsook van de toestand van de Europese landschappen;

b) het verbeteren van het waterbeheer, met inbegrip van het beheer van meststoffen en bestrijdingsmiddelen;

c) het voorkomen van bodemerosie en het verbeteren van bodembeheer;

5) bevordering van het efficiënte gebruik van hulpbronnen en steun voor de omslag naar een koolstofarme en klimaatbestendige economie in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector, met bijzondere aandacht voor:

a) het bevorderen van een efficiënter watergebruik door de landbouwsector;

b) het bevorderen van een efficiënter energiegebruik in de landbouw- en de voedselverwerkingssector;

c) het faciliteren van de levering en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, van bijproducten, en afvalmateriaal en van residuen en andere non-food-grondstoffen ten bate van de bio-economie;

d) het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen en ammoniak door de landbouw;

e) het bevorderen van koolstofbehoud en -vastlegging in de landbouw- en de bosbouwsector;

6) bevordering van sociale inclusie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden, met bijzondere aandacht voor:

a) het faciliteren van diversificatie, creatie en ontwikkeling van kleine ondernemingen, alsook van werkgelegenheid;

b) het stimuleren van plaatselijke ontwikkeling in plattelandsgebieden;

c) het verbeteren van de toegankelijkheid, het gebruik en de kwaliteit van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) in plattelandsgebieden.

Al die prioriteiten dragen bij tot de horizontale doelstellingen inzake innovatie, milieu en klimaatmitigatie en -adaptatie. In de programma's mogen minder dan zes prioriteiten aan bod komen, mits dit gerechtvaardigd is op basis van een analyse van de situatie aan de hand van sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen ("de SWOT"-analyse) en de ex-ante evaluatie. Elk programma moet ten minste vier prioriteiten bestrijken. Wanneer een lidstaat een nationaal programma en een reeks regionale programma's indient, kunnen in het nationale programma minder dan vier prioriteiten worden behandeld.

In de programma's kunnen andere aandachtsgebieden worden opgenomen om een van de prioriteiten te verwezenlijken, indien zulks gerechtvaardigd en meetbaar is.