Art. 500 Verordening (EU) nr. 575/2013, Overgangsbepalingen – Bazel I-vloer

Verordening (EU) nr. 575/2013

1. Tot en met 31 december 2017 voldoen de instellingen die hun risicogewogen posten berekenen overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 3, en de instellingen die gebruikmaken van geavanceerde meetbenaderingen als gespecificeerd in deel 3, titel III, hoofdstuk 4, voor de berekening van hun eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico aan beide volgende voorwaarden:

a) zij houden eigen vermogen aan als voorgeschreven in artikel 92;

b) zij houden een bedrag aan eigen vermogen aan dat te allen tijde hoger is dan of gelijk is aan 80 % van het totale minimumbedrag aan eigen vermogen dat de instelling verplicht zou zijn aan te houden krachtens artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG zoals die richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (35) luidden vóór 1 januari 2007.

2. Met de goedkeuring van de bevoegde autoriteiten kan het in lid 1, punt b) bedoelde bedrag worden vervangen door een vereiste dat een bedrag aan eigen vermogen moet worden aangehouden dat te allen tijde hoger is dan of gelijk is aan 80 % van het eigen vermogen dat de instelling uit hoofde van artikel 92 zou moeten aanhouden indien de instelling risicogewogen posten zou berekenen overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 en deel 3, titel III, hoofdstuk 2 of 3, als toepasselijk, in plaats van overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 3 of deel 3, titel III, hoofdstuk 4, als toepasselijk.

3. Een kredietinstelling kan lid 2 alleen toepassen indien zij op of na 1 januari 2010 de IRB-benadering of geavanceerde meetbenaderingen voor de berekening van haar kapitaalvereisten is beginnen te gebruiken.

4. De naleving van de vereisten van lid 1, punt b) geschiedt op basis van bedragen aan eigen vermogen die volledig zijn aangepast om de verschillen te weerspiegelen in de berekening van het eigen vermogen krachtens Richtlijn 93/6/EEG en Richtlijn 2000/12/EG zoals die richtlijnen luidden vóór 1 januari 2007 en de berekening van het eigen vermogen krachtens deze verordening, voortvloeiend uit de afzonderlijke behandelingen van de verwachte verliezen en de onverwachte verliezen krachtens deel 3, titel II, hoofdstuk 3, van deze verordening.

5. De bevoegde autoriteiten kunnen, na raadpleging van de EBA, instellingen ontheffing verlenen voor de toepassing van lid 1, punt b), op voorwaarde dat wordt voldaan aan alle vereisten voor de interneratingbenadering als beschreven in deel 3, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6, of aan de criteria om gebruik te kunnen maken van de geavanceerde meetbenadering als beschreven in deel 3, titel III, hoofdstuk 4, als toepasselijk.

6. De Commissie dient vóór 1 januari 2017 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de wenselijkheid de toepassingsduur van de Basel I-vloer tot na 31 december 2017 te verlengen teneinde te voorzien in een achtervangmechanisme voor interne modellen, rekening houdend met internationale ontwikkelingen en internationaal overeengekomen standaarden. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen