Art. 244 Verordening (EU) nr. 575/2013, Synthetische securitisatie

Verordening (EU) nr. 575/2013

1. Een initiërende instelling van een synthetische securitisatie mag risicogewogen posten en, in voorkomend geval, verwachte verliesposten voor de gesecuritiseerde blootstellingen berekenen overeenkomstig artikel 249 indien aan een van beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) een significant deel van het kredietrisico wordt geacht via hetzij volgestorte, hetzij niet-volgestorte kredietprotectie aan derden te zijn overgedragen;

b) de initiërende instelling past een risicogewicht van 1 250 % toe op alle securitisatieposities die zij in de betrokken securitisatie inneemt, of brengt deze securitisatieposities in mindering op de tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k).

2. Indien een van beide volgende voorwaarden is vervuld, wordt een significant deel van het kredietrisico geacht te zijn overgedragen:

a) de risicogewogen posten van de mezzanine-securitisatieposities die de initiërende instelling in deze securitisatie inneemt, bedragen niet meer dan 50 % van de risicogewogen posten van alle in het kader van deze securitisatie bestaande mezzanine-securitisatieposities;

b) indien er in het kader van een gegeven securitisatie geen mezzanine-securitisatieposities bestaan en de initiator kan aantonen dat de blootstellingswaarde van de securitisatieposities die in mindering zouden worden gebracht op de tier 1-kernkapitaalbestanddelen of waarop een risicogewicht van 1 250 % van toepassing zou zijn, aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming van het verwachte verlies op de gesecuritiseerde blootstellingen, houdt de initiërende instelling niet meer dan 20 % van de blootstellingswaarde van de securitisatieposities die in mindering zouden worden gebracht op de tier 1-kernkapitaalbestanddelen of waarop een risicogewicht van 1 250 % van toepassing zou zijn;

c) indien de eventuele vermindering in de waarde van de risicogewogen posten die de initiërende instelling door de betrokken securitisatie zou bewerkstelligen, niet gerechtvaardigd wordt door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden, kan de bevoegde autoriteit per geval besluiten dat er geen aanzienlijk deel van het kredietrisico wordt geacht aan derden te zijn overgedragen.

3. Voor de toepassing van lid 2 wordt onder mezzanine-securitisatieposities verstaan securitisatieposities waarop een risicogewicht van minder dan 1 250 % van toepassing is en die van een lagere rangorde zijn dan de positie die in de betrokken securitisatie de hoogste rang heeft, en tevens van een lagere rangorde zijn dan een securitisatiepositie in deze securitisatie welke overeenkomstig afdeling 4 is ondergebracht in:

a) kredietkwaliteitscategorie 1 in het geval van een securitisatiepositie waarop afdeling 3, onderafdeling 3, van toepassing is;

b) kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 in het geval van een securitisatiepositie waarop afdeling 3, onderafdeling 4, van toepassing is;

4. Als alternatief voor de leden 2 en 3 verlenen de bevoegde autoriteiten aan een initiërende instelling toestemming om een aanzienlijk deel van het kredietrisico als overgedragen te beschouwen indien de initiërende instelling per afzonderlijke securitisatie in staat is aan te tonen dat de vermindering van eigenvermogensvereisten die de initiator door de securitisatie bewerkstelligt, door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden wordt gerechtvaardigd.

Er wordt enkel toestemming verleend als de instelling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) de instelling beschikt over passende beleidslijnen en methoden inzake risicogevoeligheid om de risico-overdracht te beoordelen;

b) de instelling heeft de overdracht van kredietrisico aan derden telkens ook erkend voor de toepassing van haar interne risicobeheer en haar interne kapitaalallocatie.

5. Naast de in leden 1 tot en met 4 vervatte vereisten, voor zover van toepassing, voldoet de risico-overdracht aan de volgende voorwaarden:

a) in de documentatie betreffende de securitisatie zijn de economische kenmerken van de transactie weergegeven;

b) de kredietprotectie in het kader waarvan het kredietrisico wordt overgedragen, voldoet aan artikel 247, lid 2;

c) de instrumenten die worden gebruikt om kredietrisico over te dragen, bevatten geen voorwaarden die:

i) significante materialiteitsdrempels voorschrijven, bij onderschrijding waarvan geen kredietprotectie behoeft te worden geboden indien zich een kredietgebeurtenis voordoet;

ii) de beëindiging van de protectie toestaan in geval van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende blootstellingen;

iii) tenzij in het geval van vervroegde-aflossingsbepalingen, bepalen dat de posities in de securitisatie door de initiërende instelling moeten worden verbeterd;

iv) de kosten van kredietprotectie van de instelling of het aan de houders van posities in de securitisatie te betalen rendement verhogen naar aanleiding van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende pool;

d) de afdwingbaarheid van de kredietprotectie in alle betrokken rechtsgebieden wordt door een gekwalificeerd juridisch adviseur bevestigd;

e) in de securitisatiedocumentatie wordt in voorkomend geval duidelijk gemaakt dat elke aankoop of wederinkoop van securitisatieposities door de initiator of de sponsor buiten de grenzen van diens contractuele verplichtingen enkel onder marktconforme voorwaarden mag plaatsvinden;

f) in geval van een opschooncalloptie voldoet die optie aan alle volgende voorwaarden:

i) zij mag door de initiërende instelling naar eigen goeddunken worden uitgeoefend;

ii) zij mag slechts worden uitgeoefend wanneer ten hoogste 10 % van de oorspronkelijke waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen nog niet is afgelost;

iii) zij is niet opgezet om te vermijden dat verliezen aan kredietverbeteringsposities of aan andere door beleggers ingenomen posities worden toegewezen noch anderszins opgezet om kredietverbetering te verschaffen.

6. De bevoegde autoriteiten houden de EBA op de hoogte van de in lid 2 bedoelde specifieke gevallen waarin de eventuele vermindering in de waarde van de risicogewogen posten niet door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden wordt gerechtvaardigd, en van het gebruik dat de instellingen van lid 4 maken. De EBA houdt toezicht op de diverse praktijken op dit gebied en geeft richtsnoeren overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA gaat na in hoeverre de lidstaten die richtsnoeren toepassen en verstrekt de Commissie uiterlijk op 31 december 2017 advies over de vraag of er een bindende technische norm is vereist.

Vorige artikelen

Volgende artikelen