Art. 64 Richtlijn 2013/36/EU, Toezicht- en sanctiebevoegdheden
1. Aan de bevoegde autoriteiten worden alle, voor de vervulling van hun taken benodigde toezichtbevoegdheden toegekend om in de werkzaamheden van de instellingen te kunnen ingrijpen, meer bepaald het recht tot intrekking van een vergunning in overeenstemming met artikel 18, de in overeenstemming met artikel 102 vereiste bevoegdheden en de in de artikelen 104 en 105 vastgestelde bevoegdheden.
2. De bevoegde autoriteiten oefenen hun toezicht- en sanctiebevoegdheden uit in overeenstemming met deze richtlijn en het nationaal recht, en wel op een van de volgende wijzen:
a) rechtstreeks;
b) in samenwerking met andere autoriteiten;
c) onder hun verantwoordelijkheid middels delegatie aan bevoegde autoriteiten;
d) middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.