Art. 133 Richtlijn 2013/36/EU, Vereiste een systeemrisicobuffer aan te houden
1. Elke lidstaat kan voor de financiële sector of voor een of meer segmenten van die sector een systeemrisicobuffer bestaande uit tier 1-kernkapitaal instellen, teneinde niet-cyclische langetermijnsysteemrisico's of niet cyclische macroprudentiële langetermijnrisico's die niet vallen onder Verordening (EU) nr. 575/2013, in de zin van risico op verstoring van het financiële systeem met mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor het financiële systeem en de reële economie in een bepaalde lidstaat, te voorkomen of af te zwakken.
2. Voor de toepassing van lid 1 wijst de lidstaat de autoriteit aan die belast is met het bepalen van de systeemrisicobuffer en het bepalen voor welke segmenten die buffer van toepassing is. Deze autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit.
3. Voor de toepassing van lid 1 kunnen de instellingen ertoe worden verplicht om, bovenop het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden om te voldoen aan het bij artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgelegde eigenvermogensvereiste, een systeemrisicobuffer van tier 1-kernkapitaal van ten minste 1 % aan te houden gebaseerd op de totale blootstellingen waarop de systeemrisicobuffer van toepassing is overeenkomstig lid 1 van dit artikel, op individuele, geconsolideerde of gesubconsolideerde basis, als toepasselijk overeenkomstig deel 1, titel II, van die verordening. De relevante bevoegde of aangewezen autoriteit kan de instellingen ertoe verplichten de systeemrisicobuffer op het individuele en op het geconsolideerde niveau aan te houden.
4. Tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden om aan het vereiste van lid 3 te voldoen, wordt door de instellingen niet gebruikt om te voldoen aan enig vereiste opgelegd krachtens artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de artikelen 129 en 130 van deze richtlijn, noch om te voldoen aan enig vereiste opgelegd krachtens de artikelen 102 en 104 van deze richtlijn. Indien een groep die is aangemerkt als een systeemrelevante instelling die overeenkomstig artikel 131 op geconsolideerde basis onderworpen is aan een MSI-buffer of een ASI-buffer, overeenkomstig dit artikel op geconsolideerde basis ook onderworpen is aan een systeemrisicobuffer, is de hoogste van deze buffers van toepassing. Indien een instelling overeenkomstig artikel 131 op individuele of gesubconsolideerde basis onderworpen is aan een ASI-buffer en overeenkomstig het onderhavige artikel onderworpen is aan een systeemrisicobuffer, is de hoogste van beide buffers van toepassing.
5. Niettegenstaande lid 4 geldt de systeemrisicobuffer bovenop de ASI-buffer of de MSI-buffer die overeenkomstig artikel 131 van toepassing is, indien hij van toepassing is op alle blootstellingen die gesitueerd zijn in de lidstaat die de buffer bepaalt om het macroprudentieel risico van die lidstaat te ondervangen, maar niet van toepassing is op blootstellingen buiten de lidstaat.
6. Indien lid 4 van toepassing is en een instelling deel uitmaakt van een van een groep of een subgroep waartoe een MSI of een ASI behoort, mag dat in geen geval tot gevolg hebben dat die instelling, op individuele basis, onderworpen is aan een gecombineerd buffervereiste dat lager uitvalt dan de som van de kapitaalconserveringsbuffer, de contracyclische kapitaalbuffer en hetzij de AIS-buffer, hetzij de systeemrisicobuffer, naargelang welke van beide buffers de hoogste is, die op individuele basis op die instelling van toepassing zijn.
7. Indien lid 5 van toepassing is en een instelling deel uitmaakt van een groep of een subgroep waartoe een MSI of een ASI behoort, mag dat in geen geval tot gevolg hebben dat die instelling, op individuele basis, onderworpen is aan een gecombineerd buffervereiste dat lager uitvalt dan de som van de kapitaalconserveringsbuffer, de contracyclische kapitaalbuffer en de som van de ASI-buffer en de systeemrisicobuffer, die op individuele basis op die instelling van toepassing zijn.
8. De systeemrisicobuffer kan van toepassing zijn op blootstellingen die zijn gesitueerd in de lidstaat die de buffer bepaalt, alsook op blootstellingen in derde landen. Onverminderd de leden 15 n 18 kan de systeemrisicobuffer tevens van toepassing zijn op in andere lidstaten gesitueerde blootstellingen.
9. De systeemrisicobuffer is van toepassing op alle instellingen, of op een of meer segmenten instellingen, waarvoor de autoriteiten van de betrokken lidstaat overeenkomstig deze richtlijn bevoegd zijn, en wordt bepaald in geleidelijk of versneld opgelegde stappen van 0,5 procentpunt. Er kunnen verschillende vereisten worden ingevoerd voor verschillende segmenten van de sector.
10. Bij het opleggen van de verplichting een systeemrisicobuffer aan te houden, neemt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit het volgende in acht:
a) de systeemrisicobuffer dient geen onevenredig nadelige gevolgen te hebben voor het geheel of voor delen van het financiële systeem in andere lidstaten of van de Unie als geheel, waardoor hij een belemmering voor de werking van de interne markt zou vormen;
b) de systeemrisicobuffer dient door de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit ten minste om de twee jaar te worden beoordeeld.
11. Alvorens een systeemrisicobufferpercentage te bepalen of opnieuw te bepalen dat kleiner is dan of gelijk is aan 3 %, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit de Commissie, het ESRB, de EBA en de bevoegde en aangewezen autoriteiten van de betrokken lidstaten één maand voor de bekendmaking van het in lid 16 bedoelde besluit daarvan in kennis. Indien de buffer van toepassing is op in derde landen gesitueerde blootstellingen, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit tevens de toezichthoudende autoriteiten van deze derde landen in kennis. In deze kennisgeving gedetailleerd beschreven:
a) het systeemrisico of het macroprudentieel risico in de lidstaat;
b) de redenen waarom de omvang van het systeemrisico of het macroprudentiële risico een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel op nationaal niveau, die het systeemrisicobufferpercentage rechtvaardigt;
c) de redenen waarom de systeemrisicobuffer doeltreffend en evenredig wordt geacht om het risico af te zwakken;
d) een beoordeling van de waarschijnlijke positieve of negatieve gevolgen van de systeemrisicobuffer voor de interne markt, op basis van informatie die de lidstaat ter beschikking heeft;
e) de redenen waarom geen van de bestaande maatregelen in deze richtlijn of in Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van de artikelen 458 en 459 van die verordening, afzonderlijk of gecombineerd, zullen volstaan om het onderkende macroprudentiële risico of systeemrisico te ondervangen, rekening houdend met de relatieve doeltreffendheid van die maatregelen;
f) het systeemrisicobufferpercentage dat de lidstaat wenst op te leggen.
12. Alvorens een systeemrisicobuffer te bepalen of opnieuw te bepalen dat hoger is dan 3 %, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit de Commissie, het ESRB, de EBA en de bevoegde en aangewezen autoriteiten van de betrokken lidstaten daarvan in kennis. Indien de buffer van toepassing is op in derde landen gesitueerde blootstellingen, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit tevens de bevoegde autoriteiten van deze toezichthoudende landen in kennis. In deze kennisgeving worden gedetailleerd beschreven:
a) het systeemrisico of het macroprudentiële risico in de lidstaat;
b) de redenen waarom de omvang van het systeemrisico of het macroprudentiële risico een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel op nationaal niveau, die het systeemrisicobufferpercentage rechtvaardigt;
c) de redenen waarom de systeemrisicobuffer doeltreffend en evenredig wordt geacht om het risico af te zwakken;
d) een beoordeling van de waarschijnlijke positieve of negatieve gevolgen van de systeemrisicobuffer voor de interne markt, op basis van informatie die de lidstaat ter beschikking heeft;
e) de redenen waarom geen van de bestaande maatregelen in deze richtlijn of in Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van de artikelen 458 en 459 van die verordening, afzonderlijk of gecombineerd, zullen volstaan om het onderkende macroprudentiële risico of systeemrisico te ondervangen, rekening houdend met de relatieve doeltreffendheid van die maatregelen;
f) het systeemrisicobufferpercentage dat de lidstaat wenst op te leggen.
13. De bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit kan vanaf 1 januari 2015 een systeemrisicobufferpercentage van 5 % of minder vaststellen of opnieuw instellen, dat van toepassing is op blootstellingen gesitueerd in die lidstaat, en dat van toepassing kan zijn op blootstellingen gesitueerd in derde landen, en volgt daarbij de procedures als bepaald in lid 11. De procedures als bepaald in lid 12 worden gevolgd wanneer een systeemrisicobufferpercentage hoger dan 5 % wordt vastgesteld of opnieuw wordt ingesteld.
14. Indien het systeemrisicobufferpercentage overeenkomstig lid 13 wordt bepaald op een omvang tussen 3 % en 5 %, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit van de lidstaat die de buffer bepaalt, de Commissie daarvan steeds in kennis en wacht zij het advies van de Commissie af alvorens de maatregelen in kwestie te nemen.
Indien de Commissie een negatief advies uitbrengt, volgt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit van de lidstaat die de buffer bepaalt, dat advies of motiveert zij waarom zij dit niet doet.
Indien één segment van de financiële sector een dochteronderneming omvat met een in een andere lidstaat gevestigde moederonderneming, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit de autoriteiten van die lidstaat, en de Commissie en het ESRB, in kennis. Binnen één maand na de kennisgeving geven de Commissie en het ESRB een aanbeveling betreffende de overeenkomstig dit lid genomen maatregelen af. Indien de autoriteiten van mening verschillen en in het geval van een negatief advies van zowel de Commissie als het ESRB, kan de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit de kwestie voorleggen aan de EBA en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Het besluit tot bepaling van de buffer voor die blootstellingen wordt opgeschort totdat de EBA een besluit heeft genomen.
15. Binnen vier weken na de in lid 12 bedoelde kennisgeving verstrekt het ESRB de Commissie een advies over de vraag of de systeemrisicobuffer passend wordt geacht. Overeenkomstig artikel 34, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 kan ook de EBA de Commissie haar advies betreffende de buffer verstrekken.
Binnen twee maanden na kennisgeving stelt de Commissie, rekening houdend met de beoordeling door het ESRB en, in voorkomend geval, de EBA, en mits zij zich ervan vergewist heeft dat de systeemrisicobuffer geen buitensporige nadelige gevolgen heeft voor het geheel of voor delen van het financiële systeem in andere lidstaten of van de Unie als geheel, waardoor het een belemmering voor de werking van de interne markt zou vormen, een uitvoeringshandeling vast waarbij de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit toestemming krijgt de voorgenomen maatregel te nemen.
16. Elke bevoegde autoriteit of aangewezen autoriteit kondigt het bepalen van de systeemrisicobuffer aan via publicatie op een passende website. De aankondiging bevat ten minste de volgende informatie:
a) het systeemrisicobufferpercentage;
b) de instellingen waarop de systeemrisicobuffer van toepassing is;
c) de motivering van de systeemrisicobuffer;
d) de datum met ingang waarvan de instellingen de bepaalde of opnieuw bepaalde systeemrisicobuffer moeten toepassen; en
e) de namen van de landen waar de in die landen gesitueerde blootstellingen in de systeemrisicobuffer in aanmerking worden genomen.
Indien de publicatie van de onder c) vereiste informatie de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar kan brengen, wordt de uit hoofde van punt c) vereiste informatie niet in de aankondiging opgenomen.
17. Indien een instelling niet ten volle aan het vereiste van lid 1 van dit artikel voldoet, is zij onderworpen aan de in artikel 141, leden 2 en 3, bepaalde beperkingen op uitkeringen.
Indien, gelet op het relevante systeemrisico, de toepassing van deze beperkingen op uitkeringen er niet toe leidt dat het tier 1-kernkapitaal van de instelling op toereikende wijze verbetert, kunnen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 64 aanvullende maatregelen nemen.
18. Na kennisgeving als bedoeld in lid 11 kunnen de lidstaten de buffer op alle blootstellingen toepassen. In het geval dat de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit op basis van de blootstellingen in andere lidstaten besluit de buffer te bepalen op een omvang kleiner dan of gelijk aan 3 %, moet de buffer voor alle binnen de Unie gesitueerde blootstellingen op dezelfde hoogte worden bepaald.