Art. 131 Richtlijn 2013/36/EU, Mondiaal systeemrelevante en andere systeemrelevante instellingen

Richtlijn 2013/36/EU

1. De lidstaten wijzen de autoriteit aan die, op geconsolideerde basis, bepaalt welke instellingen mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) zijn en, op individuele, gesubconsolideerde of geconsolideerde basis, als toepasselijk, welke instellingen andere systeemrelevante instellingen (ASI's) zijn, waaraan in hun rechtsgebied vergunning is verleend. Deze autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit. De lidstaten kunnen meer dan één autoriteit aanwijzen. MSI's kunnen een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding, een gemengde financiële EU-moederholding of een instelling zijn. MSI's kunnen geen instelling zijn die een dochter is van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding. ASI's kunnen hetzij een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding, een gemengde financiële EU-moederholding hetzij een instelling zijn.

2. De methodiek om te bepalen welke instellingen MSI's zijn, wordt gebaseerd op de volgende categorieën:

a) omvang van de groep;

b) verwevenheid van de groep met het financiële stelsel;

c) substitueerbaarheid van de door de groep verrichte diensten of van de door de groep verschafte financiële infrastructuur;

d) complexiteit van de groep;

e) de grensoverschrijdende werkzaamheden van de groep, omvattende de grensoverschrijdende werkzaamheden tussen lidstaten en tussen een lidstaat en een derde land.

Elke categorie krijgt een gelijke wegingsfactor en bestaat uit kwantificeerbare indicatoren.

De methodiek resulteert in een totaalscore voor iedere in lid 1 bedoelde beoordeelde entiteit, zodat de MSIs kunnen worden aangewezen en ondergebracht in een subcategorie als beschreven in lid 9.

3. ASI's worden aangewezen overeenkomstig lid 1. De systeemrelevantie wordt beoordeeld op basis van ten minste een van de volgende criteria:

a) de omvang;

b) de relevantie voor de economie van de Unie of van de lidstaat in kwestie;

c) het belang van de grensoverschrijdende werkzaamheden;

d) de verwevenheid van de instelling of groep met het financiële stelsel.

Uiterlijk op 1 januari 2015 publiceert de EBA, na overleg met het ESRB, richtsnoeren betreffende de criteria ter bepaling van de voorwaarden voor de toepassing van dit lid, wat de beoordeling van ASI's betreft. Deze richtsnoeren houden rekening met de internationale raamwerken voor op nationaal niveau systeemrelevante instellingen en met specifieke aspecten voor de Unie en nationale specifieke aspecten.

4. Iedere MSI houdt, op geconsolideerde basis, een MSI-buffer aandie in overeenstemming is met de subcategorie waarin de MSI is ondergebracht. Deze buffer bestaat uit en wordt aangehouden in aanvulling op het tier 1-kernkapitaal.

5. De bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit kan iedere ASI er op geconsolideerde, gesubconsolideerde of individuele basis, als toepasselijk, toe verplichten een ASI-buffer aan te houden gelijk aan ten hoogste 2 % van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdend met de criteria op grond waarvan wordt bepaald of de instelling een ASI is. Deze buffer bestaat uit en wordt aangehouden in aanvulling op het tier 1-kernkapitaal.

6. Bij het opleggen van de verplichting een ASI-buffer aan te houden, neemt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit de volgende beginselen in acht:

a) de ASI-buffer dient geen buitensporige nadelige gevolgen te hebben voor het geheel of voor delen van het financiële systeem van andere lidstaten of van de Unie als geheel, waardoor hij een belemmering voor de werking van de interne markt zou vormen;

b) de ASI-buffer moet minstens jaarlijks door de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit getoetst worden.

7. Alvorens een ASI-buffer te bepalen of opnieuw te bepalen, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit de Commissie, het ESRB, de EBA en de bevoegde en aangewezen autoriteiten van de betrokken lidstaten één maand voor de bekendmaking van het in lid 5 bedoelde besluit daarvan in kennis. In deze kennisgeving worden de onderstaande elementen gedetailleerd beschreven:

a) de redenen waarom de ASI-buffer doeltreffend en evenredig wordt geacht om het risico af te zwakken;

b) een beoordeling van de waarschijnlijke positieve of negatieve gevolgen van de ASI-buffer voor de interne markt, op basis van informatie die de lidstaat ter beschikking heeft;

c) het ASI-bufferpercentage dat de lidstaat wenst op te leggen.

8. Onverminderd artikel 133 en lid 5 van dit artikel, is in het geval van een ASI die een dochter is van hetzij een MSI, hetzij een ASI die een EU-moederinstelling is en verplicht is een ASI-buffer aan te houden op geconsolideerde basis, de buffer die op het individuele of het gesubconsolideerde niveau van toepassing is niet hoger dan het hoogste van de volgende percentages:

a) 1 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten; en

b) het MSI-bufferpercentage of het ASI-bufferpercentage dat op geconsolideerd niveau op de groep van toepassing is.

9. Er zijn ten minste vijf subcategorieën van MSI's. De onderste limiet en de limieten tussen iedere subcategorie worden bepaald door de scores op grond van de methodiek voor het bepalen van de systeemrelevantie. De scores die de overgang tussen de ene en de andere subcategorie markeren, worden duidelijk omschreven en zijn in overeenstemming met het beginsel dat er een constante lineaire toename van systemisch belang is, van subcategorie tot subcategorie, hetgeen leidt tot een lineaire toename van het vereiste van additioneel tier 1-kernkapitaal, met uitzondering van de hoogste subcategorie. Voor de toepassing van dit lid wordt onder systemisch belang verstaan de verwachte invloed die het in nood verkeren van de MSI heeft op de mondiale financiële markt. Voor de laagste subcategorie is een MSI-buffer van toepassing van 1 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten en het buffer neemt per subcategorie toe met 0,5 % procentpunt van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten, tot en met de vierde subcategorie. Voor de hoogste subcategorie van de MSI-buffer is een buffer van toepassing van 3,5 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten.

10. Onverminderd de leden 1 en 9 kan de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit bij het verrichten van degelijke oordeelsvorming in het toezicht:

a) een MSI van een lagere subcategorie onderbrengen in een hogere subcategorie;

b) een entiteit als bedoeld in lid 1 met een totaalscore die lager uitvalt dan de overgangsscore van de laagste naar een hogere subcategorie onderbrengen in hetzij de laagste subcategorie hetzij een hogere subcategorie, waardoor die entiteit als een MSI wordt aangewezen.

11. Indien de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit een besluit neemt overeenkomstig lid 10, onder b), stelt zij EBA dienovereenkomstig op de hoogte, met inbegrip van haar redenen.

12. De bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit brengt de namen van de MSI's en de ASI's en de respectieve subcategorieën waarin elke MSI is ondergebracht, ter kennis van de Commissie, het ESRB en de EBA en maakt de naam van de systeemrelevante instelling aan het publiek bekend. De bevoegde autoriteiten of de aangewezen autoriteiten maken de subcategorie waarin elke MSI is ondergebracht, aan het publiek bekend.

De bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit toetst jaarlijks de systeemrelevantie van de MSI's en de ASI's alsook het onderbrengen van de MSI's in de respectieve subcategorieën, en brengen het resultaat ter kennis van de betrokken systeemrelevante instelling, de Commissie, het ESRB en de EBA; voorts maken zij de bijgewerkte lijst van systeemrelevante instellingen, onder vermelding van de subcategorie waarin iedere MSI is ondergebracht, aan het publiek bekend.

13. Systeemrelevante instellingen maken geen gebruik van tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden om aan de vereisten van leden 4 en 5 te voldoen, om te voldoen aan enig vereiste opgelegd krachtens artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en van de artikelen 129 en 130 van deze richtlijn, noch om te voldoen aan enig vereiste opgelegd krachtens de artikelen 102 en 104 van deze richtlijn.

14. Indien een groep op geconsolideerde basis onderworpen is aan het volgende, is de hoogste buffer van toepassing in elk geval:

a) een MSI-buffer en een ASI-buffer;

b) een MSI-buffer, een ASI-buffer en een systeemrisicobuffer overeenkomstig artikel 133.

Indien een instelling op individuele of gesubconsolideerde basis onderworpen is aan een ASI-buffer en een systeemrisicobuffer overeenkomstig artikel 133, is de hoogste van beide buffers van toepassing.

15. Niettegenstaande lid 14 geldt de systeemrisicobuffer bovenop de ASI-buffer of deMSI-buffer die overeenkomstig dit artikel van toepassing is, indien de systeemrisicobuffer van toepassing is op alle blootstellingen die gesitueerd zijn in de lidstaat die de buffer bepaalt om het macroprudentieel risico van die lidstaat te ondervangen, maar niet van toepassing is op blootstellingen buiten de lidstaat.

16. Indien lid 14 van toepassing is en een instelling deel uitmaakt van een groep of een subgroep waartoe een MSI of een ASI behoort, mag dat in geen geval tot gevolg hebben dat die instelling, op individuele basis, onderworpen is aan een gecombineerd buffervereiste dat lager uitvalt dan de som van de kapitaalconserveringsbuffer, de contracyclische kapitaalbuffer en hetzij de ASI-buffer, hetzij de systeemrisicobuffer, naargelang welke van beide buffers de hoogste is, die op individuele basis op die instelling van toepassing zijn.

17. Indien lid 15 van toepassing is en een instelling deel uitmaakt van een MSI-groep of een ASI-groep, wordt die instelling niet beschouwd, op individuele basis, onderworpen te zijn aan een gecombineerd buffervereiste dat lager uitvalt dan de som van de kapitaalconserveringsbuffer, de contracyclische kapitaalbuffer en de som van de ASI-buffer en de systeemrisicobuffer, die op individuele basis op die instelling van toepassing zijn.

18. De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op met het oog op de bepaling voor de toepassing van dit artikel vande methodiek overeenkomstig welke de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit bepaalt of een EU-moederinstelling of een EU-financiële moederholding of een gemengde EU-financiële moederholding als een MSI aan te merken is, en met het oog op de bepaling van de methodiek voor het afbakenen van de subcategorieën en voor het onderbrengen van MSI's in subcategorieën op basis van hun systemisch belang, rekening houdend met internationaal overeengekomen standaarden.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 30 juni 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste en de tweede alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.