Art. 19 Verordening (EU) nr. 601/2012, Categorisering van installaties en bronstromen
1. Elke exploitant bepaalt de categorie van zijn installatie overeenkomstig lid 2 en, indien van toepassing, van elke bronstroom overeenkomstig lid 3, ten behoeve van de monitoring van emissies en het bepalen van de minimumeisen voor niveaus.
2. De exploitant deelt elke installatie in een van de volgende categorieën in:
a) een installatie van categorie A als de gemiddelde geverifieerde jaarlijkse emissies van de handelsperiode direct vóór de huidige handelsperiode, exclusief CO2 afkomstig uit biomassa en vóór aftrek van overgebracht CO2, ten hoogste 50 000 ton CO2(e) bedragen;
b) een installatie van categorie B als de gemiddelde geverifieerde jaarlijkse emissies van de handelsperiode direct vóór de huidige handelsperiode, exclusief CO2 afkomstig uit biomassa en vóór aftrek van overgebracht CO2 meer dan 50 000 ton CO2(e) en ten hoogste 500 000 ton CO2(e) bedragen;
c) een installatie van categorie C als de gemiddelde geverifieerde jaarlijkse emissies van de handelsperiode direct vóór de huidige handelsperiode, exclusief CO2 afkomstig uit biomassa en vóór aftrek van overgebracht CO2 meer dan 500 000 ton CO2(e) bedragen.
3. De exploitant deelt elke bronstroom, door vergelijking van de bronstroom met de som van alle absolute waarden van fossiel CO2 en CO2(e) overeenkomend met alle bronstromen opgenomen in op berekening gebaseerde methoden en alle emissies uit emissiebronnen waarvoor de monitoringmethoden gebaseerd zijn op meting, vóór aftrek van overgebracht CO2, in een van de volgende categorieën in:
a) kleine bronstromen als de door de exploitant geselecteerde bronstromen gezamenlijk minder dan 5 000 ton fossiel CO2 per jaar of minder dan 10 % vertegenwoordigen, tot een totale maximumbijdrage van 100 000 ton fossiel CO2 per jaar, waarbij het criterium dat de hoogste absolute waarde oplevert bepalend is;
b) de-minimisbronstromen als de door de exploitant geselecteerde bronstromen gezamenlijk minder dan 1 000 ton fossiel CO2 per jaar of minder dan 2 % vertegenwoordigen, tot een totale maximumbijdrage van 20 000 ton fossiel CO2 per jaar, waarbij het criterium dat de hoogste absolute waarde oplevert bepalend is;
c) grote bronstromen als de bronstromen niet onder een van de categorieën als bedoeld in de punten a) en b) vallen.
4. Als de gemiddelde geverifieerde jaarlijkse emissies van de handelsperiode direct voorafgaand aan de huidige handelsperiode voor de installatie niet beschikbaar of onnauwkeurig zijn, bepaalt de exploitant de categorie van de installatie aan de hand van een conservatieve schatting van jaarlijkse gemiddelde emissies, exclusief CO2 afkomstig uit biomassa en vóór aftrek van overgebracht CO2.