Art. 18 Verordening (EU) nr. 601/2012, Onredelijke kosten

Verordening (EU) nr. 601/2012

1. Als een exploitant of vliegtuigexploitant verklaart dat het toepassen van een specifieke monitoringmethode tot onredelijke kosten leidt, beoordeelt de bevoegde autoriteit of de kosten als onredelijk moeten worden aangemerkt, rekening houdend met de rechtvaardiging van de exploitant.

De bevoegde autoriteit merkt de kosten aan als onredelijk indien de geraamde kosten hoger zijn dan het te behalen voordeel. Hiertoe wordt het voordeel berekend door vermenigvuldiging van een verbeteringsfactor met een referentieprijs van 20 euro per emissierecht. Voor de kosten wordt rekening gehouden met een passende waardeverminderingsperiode op basis van de economische levensduur van de apparatuur.

2. Bij de beoordeling van de redelijkheid van kosten in verband met de keuze van niveaus voor activiteitsgegevens gebruikt de bevoegde autoriteit als de verbeteringsfactor bedoeld in lid 1, het verschil tussen de momenteel verkregen onzekerheid en de onzekerheidsdrempel van het niveau dat door de verbetering zou worden verwezenlijkt, vermenigvuldigd met de gemiddelde jaarlijkse emissies van de betreffende bronstroom over de laatste drie jaar.

Indien geen gegevens beschikbaar zijn over de gemiddelde jaarlijkse emissies van deze bronstroom over de laatste drie jaar, verstrekt de exploitant of vliegtuigexploitant een conservatieve schatting van de jaarlijkse gemiddelde emissies, exclusief CO2 afkomstig uit biomassa en vóór aftrek van overgebracht CO2. Voor meetinstrumenten onder nationale wettelijke metrologische controle mag de huidige onzekerheid worden vervangen door de maximale toelaatbare fout bij het gebruik die volgens de relevante nationale wetgeving is toegestaan.

3. Bij beoordeling van de (on)redelijkheid van de kosten in verband met maatregelen die de kwaliteit van de emissierapportage verhogen, maar geen directe impact op de nauwkeurigheid van activiteitsgegevens hebben, gebruikt de bevoegde autoriteit een verbeteringsfactor van 1 % van het gemiddelde van de jaarlijkse emissies van de betreffende bronstromen over de laatste drie verslagperioden. Dergelijke maatregelen kunnen bestaan uit:

a) een omschakeling van standaardwaarden naar analyses voor de bepaling van berekeningsfactoren;

b) een toename van het aantal analyses per bronstroom;

c) indien er voor de specifieke meettaak geen nationale wettelijke metrologische controle is, de vervanging van meetinstrumenten door instrumenten die voldoen aan de relevante eisen van wettelijke metrologische controle van de lidstaat voor soortgelijke toepassingen, of door meetinstrumenten die voldoen aan nationale voorschriften ingesteld krachtens Richtlijn 2004/22/EG of Richtlijn 2009/23/EG van het Europees Parlement en de Raad (10);

d) kortere intervallen tussen kalibraties en onderhoudsbeurten van meetinstrumenten;

e) verbetering van dataflow-activiteiten en controleactiviteiten om het intrinsieke risico of het controlerisico aanzienlijk te verminderen.

4. In het geval van maatregelen met betrekking tot de verbetering van de monitoringmethode voor een installatie in overeenstemming met artikel 69 kan pas van onredelijke kosten worden gesproken vanaf een totaalbedrag van 2 000 euro per verslagperiode. Bij installaties met geringe emissies bedraagt deze drempel 500 euro per verslagperiode.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen