Art. 60 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, Subsidiabiliteit van acties in het kader van operationele programma’s
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011
1. Operationele programma's omvatten geen acties of uitgaven als bedoeld in de lijst in bijlage IX.
2. Uitgaven uit hoofde van subsidiabele operationele programma's worden beperkt tot de daadwerkelijk gemaakte kosten. De lidstaten kunnen evenwel in de volgende gevallen vooraf en op naar behoren gemotiveerde wijze forfaitaire standaardtarieven vaststellen:
a) wanneer naar dergelijke forfaitaire standaardtarieven wordt verwezen in bijlage IX;
b) wanneer bij vervoer per spoor en/of per schip als onderdeel van een milieubeschermingsmaatregel, in vergelijking met de kosten voor wegvervoer extra externe vervoerskosten per kilometer worden gemaakt, en
c) wanneer als gevolg van milieuacties extra kosten worden gemaakt en extra inkomen wordt gederfd, berekend overeenkomstig artikel 53, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie (10).
De lidstaten herzien deze tarieven ten minste om de vijf jaar.
3. Een actie is slechts subsidiabel indien meer dan 50 % van de waarde van de bij de actie betrokken producten afkomstig is van de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend. Om in het percentage van 50 % te worden verrekend, moeten de producten afkomstig zijn van leden van de producentenorganisatie of van bij een andere producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aangesloten leden. Artikel 50 is van overeenkomstige toepassing op de berekening van de waarde.
4. Voor milieuacties gelden de volgende voorschriften:
a) verscheidene milieuacties mogen met elkaar worden gecombineerd mits zij elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn. In geval van een combinatie van milieuacties wordt bij de bepaling van het steunniveau rekening gehouden met de specifieke gederfde inkomsten en de specifieke extra kosten die het gevolg zijn van de combinatie;
b) verbintenissen om het gebruik van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen of andere productiemiddelen te beperken, worden slechts aanvaard indien de toepassing van die beperkingen kan worden beoordeeld op een wijze die een redelijke zekerheid over het al dan niet naleven van de verbintenissen verschaft;
c) acties in verband met het milieubeheer van verpakkingen moeten naar behoren worden gemotiveerd en moeten verder gaan dan de vereisten die de betrokken lidstaat heeft vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad (11).
In de in artikel 55 bedoelde nationale strategie stellen de lidstaten vast hoeveel procent van de jaarlijkse uitgaven die in het kader van een operationeel programma worden gedaan, maximaal mag worden besteed aan acties in verband met het milieubeheer van verpakkingen. Dat percentage mag niet hoger liggen dan 20 %, behalve om rekening te houden met specifieke nationale/regionale omstandigheden die dan in de nationale strategie dienen te worden gemotiveerd.
5. Investeringen, ook die in het kader van leaseovereenkomsten, met een aflossingstermijn die langer is dan de looptijd van het operationele programma, mogen vanwege gegronde economische redenen, en meer in het bijzonder bij een fiscale afschrijvingsperiode van meer dan vijf jaar, ook voor het volgende operationele programma in aanmerking worden genomen.
Bij vervanging van investeringen wordt de restwaarde van de vervangen investeringen:
a) toegevoegd aan het actiefonds van de producentenorganisatie, of
b) in mindering gebracht op de vervangingskosten.
6. Investeringen of acties die bijdragen aan de doelstellingen van het operationele programma, mogen worden uitgevoerd in individuele ondernemingen en/of bedrijfsruimten van bij een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties aangesloten producenten, ook wanneer de acties worden uitbesteed aan leden van de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties. De lidstaten zien erop toe dat de investering of de restwaarde ervan wordt gerecupereerd wanneer een bij de producentenorganisatie aangesloten producent de producentenorganisatie verlaat. In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten bepalen dat de producentenorganisatie er niet toe verplicht is de investering of de restwaarde ervan terug te vorderen.
7. Investeringen en acties die verband houden met de verwerking van groenten en fruit tot verwerkte groenten en fruit, komen in aanmerking voor steun indien die investeringen en acties gericht zijn op de verwezenlijking van de in artikel 103 quater, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 vastgestelde doelen, met inbegrip van de in artikel 122, eerste alinea, onder c), van die verordening vastgestelde doelstellingen, en indien die investeringen en acties zijn opgenomen in de in artikel 103 septies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde nationale strategie.