Art. 106 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, Controles ter plaatse van aanvragen tot steunverlening in het kader van operationele programma's
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011
1. In het kader van de verificatie van de in artikel 69, lid 1, bedoelde steunaanvragen voeren de lidstaten controles ter plaatse uit bij de producentenorganisaties om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden voor de verlening van de steun of het saldo van de steun voor het betrokken jaar worden nageleefd.
Deze controles hebben met name betrekking op:
a) de inachtneming van de erkenningscriteria voor het betrokken jaar;
b) het gebruik van de actiefondsen in het betrokken jaar, met inbegrip van de uitgaven die zijn opgegeven in aanvragen tot betaling van voorschotten of gedeeltelijke betalingen, de waarde van de afgezette productie, de bijdragen in het actiefonds en de opgegeven uitgaven zoals gestaafd door boekhoudkundige of andere documenten;
c) controles van het tweede niveau voor de uitgaven betreffende het uit de markt nemen, groen oogsten en niet oogsten van producten.
2. Jaarlijks moet een significant monster van de aanvragen worden gecontroleerd overeenkomstig lid 1. In lidstaten met meer dan tien erkende producentenorganisaties heeft het monster betrekking op ten minste 30 % van de totale aangevraagde steun. In andere gevallen wordt elke producentenorganisatie ten minste één keer om de drie jaar bezocht.
Bij elke producentenorganisatie wordt ten minste één controle uitgevoerd vóór de betaling van de steun of het saldo daarvan voor het laatste jaar van haar operationele programma.
3. De resultaten van de controles ter plaatse worden geëvalueerd om vast te stellen of eventueel geconstateerde problemen systematisch voorkomen en daardoor een risico voor andere vergelijkbare acties, begunstigden of instanties met zich meebrengen. Tevens moet de evaluatie duidelijkheid verschaffen over de oorzaken van dergelijke situaties, over eventueel vereist nader onderzoek en over de noodzakelijke corrigerende en preventieve maatregelen.
Indien bij de controles significante onregelmatigheden in een regio, in een deel van een regio of bij een bepaalde producentenorganisatie aan het licht komen, voert de lidstaat in het betrokken jaar aanvullende controles uit en verhoogt hij het percentage overeenkomstige aanvragen dat het volgende jaar moet worden gecontroleerd.
4. De lidstaat stelt op basis van een risicoanalyse vast welke producentenorganisaties moeten worden gecontroleerd.
Bij de risicoanalyse wordt met name rekening gehouden met:
a) het steunbedrag;
b) de bevindingen tijdens de controles in de voorafgaande jaren;
c) een willekeurig element, en
d) andere door de lidstaten vast te stellen parameters.