Art. 1 Richtlijn 2010/76/EU, Wijzigingen van Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2010/76/EU

Richtlijn 2006/48/EG wordt als volgt gewijzigd:

1. artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a) de volgende punten worden toegevoegd:

„40 bis) „hersecuritisatie”: een securitisatie waarbij het risico dat is verbonden aan een onderliggende pool vorderingen, in tranches is onderverdeeld en ten minste één van de onderliggende vorderingen een securitisatiepositie is;

40 ter) „hersecuritisatiepositie”: een vordering in het kader van een hersecuritisatie;”;

b) het volgende punt wordt toegevoegd:

„49. „uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen”: verhoogde pensioenuitkeringen die een kredietinstelling aan een medewerker op discretionaire basis verleent als onderdeel van een variabele beloning van deze medewerker. Tot deze uitkeringen worden niet gerekend verhoogde uitkeringen die aan een medewerker worden toegekend op grond van de voorwaarden van het bedrijfspensioenfonds.”;

2. aan artikel 11, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het Comité van Europese bankentoezichthouders zorgt voor richtsnoeren voor de beoordeling van de geschiktheid van de personen die daadwerkelijk leiding geven aan de zaken van de kredietinstelling.”;

3. artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt vervangen door:

„1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst eisen dat elke kredietinstelling een degelijke governancestructuur heeft, waaronder een duidelijke organisatiestructuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor het identificeren, beheersen, en bewaken en voor de verslaglegging van de risico’s waaraan zij blootstaat of bloot kan komen te staan, adequate interne controleprocedures, zoals een degelijke administratieve en boekhoudkundige organisatie, en een beloningsbeleid en een beloningscultuur die in overeenstemming zijn met en bijdragen aan een degelijke en doeltreffende risicobeheersing.”;

b) de volgende leden worden toegevoegd:

„3. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst gebruiken de informatie die verzameld is overeenkomstig de criteria inzake openbaarmaking die zijn vastgelegd in punt 15, onder f), van deel 2 van bijlage XII voor het maken van een vergelijkende studie (benchmarken) van ontwikkelingen en praktijken op beloningsgebied. De bevoegde autoriteiten doen deze informatie toekomen aan het Comité van Europese bankentoezichthouders.

4. Het Comité van Europese bankentoezichthouders ziet er op toe dat er richtsnoeren bestaan voor een goed beloningsbeleid dat in overeenstemming is met de in punt 23 en punt 24 van bijlage V neergelegde beginselen. De richtsnoeren nemen de beginselen van degelijk beloningsbeleid in acht die in de aanbeveling van 30 april 2009 van de Commissie over de beloningspolitiek in de financiële dienstverlening (*1) neergelegd zijn.

Het Comité van Europese bankentoezichthouders ziet er onder andere op toe dat er richtsnoeren bestaan:

a) om specifieke criteria vast te stellen voor de juiste verhouding tussen de vaste en de variabele beloningscomponenten van de totale beloning zoals bedoeld in punt 23, onder l), van bijlage V,

b) waarmee instrumenten kunnen worden omschreven die in aanmerking komen als instrumenten als bedoeld in punt 23, onder o), ii), van bijlage V die een juiste afspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van een kredietinstelling als bedoeld in punt 23, onder o), van genoemde bijlage.

Het Comité van Europese effectenregelgevers werkt nauw met het Comité van Europese bankentoezichthouders samen bij het toezien op het bestaan van richtsnoeren voor het beloningsbeleid van de categorieën van medewerkers die betrokken zijn bij het verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten in de zin van punt 2 van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2004/39/EG.

Het Comité van Europese bankentoezichthouders gebruikt de informatie die van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig lid 3 ontvangen is voor het maken van een vergelijkende studie (benchmarken) van beloningsontwikkelingen en -praktijken op het niveau van de Unie.

5. De ter zake bevoegde autoriteiten van de eigen lidstaat verzamelen informatie over het aantal personen per kredietinstelling met een beloning ten belope van ten minste 1 miljoen EUR, met inbegrip van de desbetreffende afdeling en de voornaamste elementen van salaris, bonussen, vergoedingen op lange termijn en pensioenbijdragen. Deze informatie wordt doorgegeven aan het Comité van Europese bankentoezichthouders, dat deze in een gemeenschappelijk rapportageformaat openbaar maakt op zodanige wijze dat alle informatie over de eigen lidstaat te raadplegen is. Het Comité van Europese bankentoezichthouders kan richtsnoeren opstellen ter vergemakkelijking van de toepassing van dit lid en om de consistentie van de verzamelde informatie te verzekeren.

(*1) PB L 120 van 15.5.2009, blz. 22.”;"

4. aan artikel 54 wordt het volgende lid toegevoegd:

„Voor de toepassing van de eerste alinea zien de lidstaten erop toe dat hun respectieve bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om financiële en niet-financiële sancties of maatregelen op te leggen. Deze sancties of maatregelen moeten doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn.”;

5. in het eerste lid van artikel 57 wordt punt r) vervangen door:

„r) het bedrag aan vorderingen bij securitisatieposities die overeenkomstig deze richtlijn een risicogewicht van 1 250 % krijgen en het bedrag aan vorderingen bij securitisatieposities in de handelsportefeuille die, als ze in de niet-handelsportefeuille van dezelfde kredietinstelling zaten, een risicogewicht van 1 250 % zouden krijgen.”;

6. aan artikel 64 wordt het volgende lid toegevoegd:

„5. Kredietinstellingen passen de bepalingen van bijlage VII, deel B, van Richtlijn 2006/49/EG toe op al hun tegen reële waarde gewaardeerde activa bij de berekening van het bedrag aan eigen vermogen en trekken van de punten a) tot en met c bis) minus i) tot en met k) in artikel 57 het bedrag af van bijkomende noodzakelijke waardeaanpassingen. Het Comité van Europese bankentoezichthouders stelt richtsnoeren op voor de details van de toepassing van deze bepaling.”;

7. artikel 66, lid 2, wordt vervangen door:

„2. De som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder l) tot en met r), wordt voor de helft in mindering gebracht op de som van de bestanddelen genoemd in de punten a) tot en met c bis), verminderd met de bestanddelen genoemd in de punten i) tot en met k) van hetzelfde artikel, en voor de helft op de som van de bestanddelen genoemd in de punten d) tot en met h) van hetzelfde artikel, na toepassing van de in lid 1 van dit artikel bepaalde limieten. Ingeval de helft van de som van de bestanddelen genoemd in de punten l) tot en met r) meer bedraagt dan de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder d) tot en met h), wordt het meerbedrag in mindering gebracht op de som van de bestanddelen genoemd in de punten a) tot en met c bis), verminderd met de bestanddelen genoemd in de punten i) tot en met k) van hetzelfde artikel.

Bestanddelen genoemd in artikel 57, onder r), worden niet in mindering gebracht indien zij voor de toepassing van artikel 75 zijn meegeteld bij de berekening van de risicogewogen posten zoals aangegeven in deze richtlijn, dan wel bij de berekening van de kapitaalvereisten zoals aangegeven in bijlage I of V bij Richtlijn 2006/49/EG.”;

8. in artikel 75 worden b) en c) vervangen door:

„b) met betrekking tot de handelsportefeuille: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld op basis van artikel 18 en de artikelen 28 tot en met 32 van Richtlijn 2006/49/EG voor de positie-, afwikkelings- en tegenpartijrisico’s en - voor zover de in de artikelen 111 tot en met 117 vastgestelde limieten mogen worden overschreden - voor grote posities waarbij deze limieten worden overschreden;

c) met betrekking tot hun gehele bedrijf: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2006/49/EG, voor het valutarisico, voor het afwikkelingsrisico en voor het grondstoffenrisico;”;

9. artikel 101, lid 1, wordt vervangen door:

„1. Een als sponsor optredende kredietinstelling of een als initiator optredende kredietinstelling die bij de berekening van de risicogewogen posten gebruik heeft gemaakt van artikel 95 of instrumenten uit haar handelsportefeuille aan een special-purpose entity voor securitisatiedoeleinden verkocht heeft met als gevolg dat niet meer van haar wordt verlangd dat ze eigen vermogen aanhoudt voor de risico’s van deze instrumenten, mag bij het verlenen van steun aan een securitisatie, teneinde de mogelijke of feitelijke verliezen van beleggers te beperken, de grenzen van haar contractuele verplichtingen niet overschrijden.”;

10. artikel 136 wordt als volgt gewijzigd:

a) in de tweede alinea van lid 1 worden de volgende punten toegevoegd:

„f) van kredietinstellingen eisen dat ze de variabele beloning tot een bepaald percentage van hun totale netto inkomsten beperken als deze inkomsten niet met het in stand houden van een solide eigen vermogen te verenigen zijn;

g) van kredietinstellingen eisen dat zij hun netto winsten gebruiken om het eigen kapitaal te versterken.”;

b) in lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Voor de bepaling van het passende niveau van het eigen vermogen op basis van de herziening en evaluatie overeenkomstig artikel 124, gaan de bevoegde autoriteiten na of strengere specifieke kapitaalvereisten moeten worden opgelegd dan die welke minimaal vereist zijn om risico’s te ondervangen waaraan een kredietinstelling is of kan zijn blootgesteld, waarbij zij met het volgende rekening houden:

a) de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van het in artikel 123 bedoelde beoordelingsproces van de kredietinstelling;

b) de in artikel 22 bedoelde systemen en procedures van de kredietinstelling;

c) de uitkomst van de herziening en evaluatie overeenkomstig artikel 124.”;

11. artikel 145, lid 3, wordt vervangen door:

„3. De kredietinstellingen leggen formeel vast hoe ze willen voldoen aan de informatie-eisen van de leden 1 en 2; ook hebben ze vastgelegd op welke wijze ze de door henzelf openbaar gemaakte informatie evalueren en ook op juistheid controleren en hoe vaak dit dient te gebeuren. Kredietinstellingen hebben ook vastgelegd op welke wijze ze nagaan of hun bekendmakingen marktdeelnemers volledig inzicht in hun risicoprofiel verschaffen.

Ingeval deze bekendmakingen marktdeelnemers geen volledig inzicht in het risicoprofiel verschaffen, maken kredietinstellingen naast de overeenkomstig lid 1 te verstrekken informatie de benodigde informatie openbaar. Van kredietinstellingen wordt echter alleen verlangd dat zij informatie openbaar maken die van wezenlijk belang is en volgens de technische criteria van bijlage XII, deel 1, niet als eigendom of vertrouwelijk is aangemerkt.”;

12. de titel van Titel VI wordt vervangen door:

„ GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN ”;

13. artikel 150 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt vervangen door:

„1. Onverminderd het voorstel dat de Commissie ingevolge artikel 62 zal indienen, worden wat betreft het eigen vermogen de op de onderstaande gebieden aan te brengen technische aanpassingen vastgesteld via gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 151 bis, en op voorwaarde van het bepaalde in de artikelen 151 ter en 151 quater:

a) verduidelijking van de definities teneinde een eenvormige toepassing van deze richtlijn te waarborgen;

b) verduidelijking van de definities om bij de toepassing van de onderhavige richtlijn rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

c) aanpassing van de terminologie en van de verwoording van de definities aan latere richtlijnen inzake kredietinstellingen en aanverwante onderwerpen;

d) uitbreiding van de in de artikelen 23 en 24 bedoelde lijst in bijlage I of aanpassing van de terminologie van de lijst om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

e) de in artikel 42 genoemde gebieden waarop de bevoegde autoriteiten gegevens moeten uitwisselen;

f) technische aanpassingen in de artikelen 56 tot en met 67 en in artikel 74 als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen die rekening houden met de Uniewetgeving, of met het oog op de convergentie van toezichtspraktijken;

g) wijziging van de lijst van categorieën vorderingen in de artikelen 79 en 86 om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

h) het in artikel 79, lid 2, onder c), artikel 86, lid 4, onder a), bijlage VII, deel 1, punt 5 en bijlage VII, deel 2, punt 15, bedoelde bedrag om rekening te houden met de gevolgen van inflatie;

i) de lijst en de indeling van de posten buiten de balanstelling in de bijlagen II en IV;

j) aanpassing van de bijlagen III, en V tot en met XII om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten (met name nieuwe financiële producten) en op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen die rekening houden met de Uniewetgeving, of met het oog op de convergentie van toezichtspraktijken.

1 bis. De volgende maatregelen worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure bedoeld in artikel 151, lid 2 bis:

a) technische aanpassingen aan de lijst van artikel 2;

b) wijziging van het bedrag van het in artikel 9 vereiste aanvangskapitaal om rekening te houden met de economische en monetaire ontwikkelingen.”;

b) lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i) in de eerste alinea wordt het inleidende gedeelte vervangen door:

„De Commissie kan de volgende maatregelen vaststellen:”;

ii) de tweede alinea wordt vervangen door:

„De onder a), b), c) en f) van de eerste alinea bedoelde maatregelen worden vastgesteld via gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikelen 151 bis, en op voorwaarde van het bepaalde in de artikelen 151 ter en 151 quater. De onder d) en e) van de eerste alinea bedoelde maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure bedoeld in artikel 151, lid 2 bis.”;

14. in artikel 151 worden de leden 2 en 3 geschrapt;

15. de volgende artikelen worden toegevoegd:

„Artikel 151 bis

Uitvoering van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid tot aanneming van de in artikel 150, lid 1, en de eerste zin van de tweede alinea van artikel 150, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen wordt de Commissie voor een termijn van vier jaar vanaf 15 december 2010 verleend. De Commissie stelt uiterlijk zes maanden voor het einde van de periode van vier jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De delegatie van bevoegdheden wordt automatisch met termijnen van gelijke duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad deze overeenkomstig artikel 151 ter herroepen.

2. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

3. De bevoegdheid gedelegeerde handelingen aan te nemen wordt de Commissie verleend onder de voorwaarden zoals beschreven in de artikelen 151 ter en 151 quater.

Artikel 151 ter

Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie

1. De in artikel 150, lid 1, en de eerste zin van de tweede alinea van artikel 150, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken.

2. De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, beijvert zich om de andere instelling en de Commissie hiervan binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte te stellen en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken.

3. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheden. Het besluit treedt onmiddellijk in werking of op een in dat besluit bepaalde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds in werking zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 151 quater

Bezwaar tegen gedelegeerde handelingen

1. Het Europees Parlement en de Raad kunnen tegen een gedelegeerde handeling bezwaar aantekenen binnen drie maanden na de datum van kennisgeving daarvan. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn met drie maanden verlengd.

2. Indien noch het Europees Parlement noch de Raad bij het verstrijken van dein lid 1 bedoelde termijn bezwaar hebben aangetekend tegen de gedelegeerde handeling, wordt deze bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt zij in werking op de daarin vermelde datum. De gedelegeerde handeling kan in het Publicatieblad van de Europese Unie worden gepubliceerd en in werking treden vóór het verstrijken van de periode tussen kennisgeving en inwerkingtreding als het Europees Parlement en de Raad beide de Commissie ervan op de hoogte hebben gesteld geen bezwaar te zullen maken.

3. Indien het Europees Parlement of de Raad binnen de in lid 1 bedoelde termijn bezwaar aantekent tegen een gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. Overeenkomstig artikel 296 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vermeldt de instelling die bezwaar tegen de gedelegeerde handeling maakt, de redenen daarvan.”;

16. aan artikel 152 worden de volgende leden ingevoegd:

„5 bis. Kredietinstellingen die risicogewogen posten berekenen overeenkomstig artikel 84 tot en met 89, houden tot en met 31 december 2011 eigen vermogen aan dat altijd hoger dan of gelijk is aan het bedrag in lid 5 quater of 5 quinquies, indien van toepassing.

5 ter. Kredietinstellingen die voor de berekening van de kapitaalvereisten voor het operationeel risico de in artikel 105 bedoelde geavanceerde meetbenaderingen hanteren, houden tot en met 31 december 2011 een eigen vermogen aan dat te allen tijde gelijk is aan of hoger dan het bedrag in lid 5 quater of lid 5 quinquies, indien van toepassing.

5 quater. Het bedrag bedoeld in 5 bis en 5 ter bedraagt 80 % van het totale minimumbedrag aan eigen vermogen dat de kredietinstellingen zouden moeten aanhouden volgens artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG en Richtlijn 2000/12/EG, zoals dit vóór 1 januari 2007 van toepassing was.

5 quinquies. Indien de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, mag het in de leden 5 bis en 5 ter bedoelde bedrag voor in 5 sexies bedoelde kredietinstellingen 80 % zijn van het totale minimumbedrag aan eigen vermogen dat die kredietinstellingen zouden moeten aanhouden volgens de artikelen 78 tot en met 83, 103 of 104 en Richtlijn 2006/49/EG, zoals van toepassing vóór 1 januari 2011.

5 sexies. Een kredietinstelling mag lid 5 quinquies alleen toepassen indien de instelling op of na 1 januari 2010 begonnen is voor de berekening van haar kapitaalvereisten gebruik te maken van de IRB of de geavanceerde meetbenadering.”;

17. artikel 154, lid 5, wordt vervangen door:

„5. Tot 31 december 2012 ligt het risicogewogen gemiddelde LGD van alle vorderingen op particulieren en kleine partijen waarvoor een woning in zekerheid is gegeven en de centrale overheid geen garantie heeft afgegeven, niet onder de 10 %.”;

18. in artikel 156 worden na lid 3 de volgende leden toegevoegd:

„Vóór 1 april 2013 herziet de Commissie de bepalingen inzake beloningsbeleid, met inbegrip van de bepalingen die zijn opgenomen in de bijlagen V en XII, en brengt ze hierover verslag uit, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de efficiëntie, de toepassing en de handhaving van de bepalingen, rekening houdend met internationale ontwikkelingen. Bij deze herziening worden alle leemten geïdentificeerd die voortvloeien uit de toepassing van het evenredigheidsbeginsel op deze bepalingen. De Commissie moet dit verslag aan het Europees Parlement en de Raad voorleggen en eventueel passende voorstellen indienen.

Om te zorgen voor consistentie en eerlijke concurrentievoorwaarden, herziet de Commissie de uitvoering van artikel 54 met betrekking tot de consistentie tussen de maatregelen en de sancties in de hele Unie, en dient ze zo nodig voorstellen in.

Met de periodieke herziening van de toepassing van deze richtlijn door de Commissie wordt gewaarborgd dat de wijze van toepassing niet leidt tot kennelijke discriminatie tussen kredietinstellingen op grond van hun rechtsstructuur of eigendomsmodel.

Ter waarborging van een consequente lijn bij de prudentiële benadering van kapitaal, beziet de Commissie opnieuw de relevantie van de verwijzing naar instrumenten zoals bedoeld in artikel 66, lid 1 bis, onder a), en punt 23, onder o), ii), van bijlage V zodra zij het initiatief neemt ter herziening van de omschrijving van eigenvermogensinstrumenten zoals bedoeld in de artikelen 56 tot en met 67.”;

19. het volgende artikel wordt toegevoegd:

„Artikel 156 bis

Vóór 31 december 2011 beziet en rapporteert de Commissie of het wenselijk is bijlage IX van deze Richtlijn te wijzigen om deze aan te passen aan internationale overeenkomsten inzake aan kredietinstellingen te stellen kapitaalvereisten voor securitisatieposities. De Commissie legt dit verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, eventueel vergezeld van desbetreffende wetgevingsvoorstellen.”;

20. de bijlagen worden gewijzigd zoals aangegeven in bijlage I bij deze richtlijn.

Verwijst naar

Volgende artikelen