Art. 10 Richtlijn 2010/31/EU, Financiële stimulansen en marktbelemmeringen

Richtlijn 2010/31/EU

1. Gezien het belang van het verschaffen van passende financierings- en andere instrumenten om de energieprestatie van gebouwen en de overgang naar bijna-energieneutrale gebouwen te stimuleren, ondernemen de lidstaten passende stappen om zich te beraden op de instrumenten die, in het licht van de nationale omstandigheden, het meest geschikt zijn.

2. De lidstaten stellen uiterlijk op 30 juni 2011 een lijst op van bestaande en, in voorkomend geval, voorgestelde maatregelen en instrumenten, met inbegrip van die van financiële aard, die niet uit hoofde van deze richtlijn zijn vereist, welke de doelstellingen van deze richtlijn bevorderen.

De lidstaten werken die lijst om de drie jaar bij. De lidstaten delen die lijsten aan de Commissie mee, bijvoorbeeld door ze in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie op te nemen.

3. De Commissie onderzoekt of de bestaande en voorgestelde maatregelen opgenomen in de in lid 2 bedoelde lijsten alsmede de desbetreffende uniale instrumenten doeltreffend bijdragen tot de uitvoering van deze richtlijn. Op grond van dat onderzoek kan de Commissie, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, advies geven of aanbevelingen doen over specifieke nationale regelingen, en over de coördinatie met uniale instellingen en internationale financiële instellingen. De Commissie kan haar onderzoek en eventueel advies of aanbevelingen opnemen in haar in artikel 14, lid 5, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde verslag betreffende de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie.

4. De Commissie staat waar dat passend is op verzoek lidstaten bij bij het opstellen van nationale of regionale programma’s voor financiële ondersteuning, teneinde — met name bestaande — gebouwen energie-efficiënter te maken door ondersteuning te bieden bij het uitwisselen van beste praktijken tussen de verantwoordelijke nationale of regionale overheden of organen.

5. Om verbetering te brengen in de financiering ter ondersteuning van de uitvoering van deze richtlijn, brengt de Commissie, die daarbij terdege het subsidiariteitsbeginsel in acht neemt, bij voorkeur voor eind 2011 een analyse uit over met name:

a) de doeltreffendheid, de juistheid van het niveau en het feitelijk gebruikte bedrag, van de structuurfondsen en de kaderprogramma’s die zijn gebruikt voor het verhogen van de energie-efficiëntie van gebouwen, in het bijzonder in de woningbouw;

b) de doeltreffendheid van het gebruik van middelen van de EIB en andere publieke financiële instellingen;

c) de coördinatie van uniale en nationale financiering en andere vormen van steun die als hefboom kunnen werken voor het stimuleren van investeringen in energie-efficiëntie, alsmede de adequaatheid van een dergelijke financiering voor het bereiken van de doelstellingen van de EU.

Op basis van die analyse en overeenkomstig het meerjarig financieel kader kan de Commissie vervolgens, indien zij dat passend acht, voorstellen betreffende uniale instrumenten bij het Europees Parlement en de Raad indienen.

6. De lidstaten houden bij het verstrekken van prikkels voor de bouw of de ingrijpende renovatie van gebouwen rekening met de kostenoptimale niveaus van de energieprestatie.

7. De bepalingen van deze richtlijn vormen voor de lidstaten geen beletsel om prikkels voor nieuwe gebouwen, renovaties of onderdelen van gebouwen boven de kostenoptimale niveaus in te stellen.