Art. 15 Richtlijn 2010/31/EU, Keuring van airconditioningsystemen
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van de toegankelijke delen van airconditioningsystemen met een nominaal vermogen van meer dan 12 kW. De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan gelet op de koelingsbehoeften van het gebouw. De beoordeling van de dimensionering hoeft niet te worden herhaald zolang er tussentijds niets wordt veranderd aan het verwarmingssysteem of de koelingsbehoeften van het gebouw.
De lidstaten kunnen dergelijke keuringen al naargelang het geval minder frequent laten plaatsvinden of lichter maken indien er een elektronisch toezicht- en controlesysteem werkzaam is.
2. De lidstaten kunnen de frequentie van de keuringen laten variëren al naargelang het type en het nominaal vermogen van het airconditioningsysteem, daarbij rekening houdend met de kosten voor de keuring van het airconditioningsysteem en de geraamde besparingen van energiekosten die uit de keuring kunnen voortvloeien.
3. Bij het vastleggen van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde maatregelen zien de lidstaten er, voor zover dat economisch en technisch haalbaar is, op toe dat de keuringen worden uitgevoerd overeenkomstig de keuringen van verwarmingssystemen en andere technische systemen bedoeld in artikel 14 van deze richtlijn en overeenkomstig de inspecties op lekkages bedoeld in Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (17).
4. Als alternatief voor de leden 1, 2 en 3 hebben de lidstaten de mogelijkheid maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de gebruikers geadviseerd worden over vervanging van airconditioningsystemen of over andere wijzigingen van het airconditioningsysteem, welke maatregelen keuringen kunnen inhouden om de efficiëntie en de adequate omvang van het airconditioningsysteem te beoordelen. Deze aanpak dient hetzelfde globale resultaat op te leveren als het bepaalde in de leden 1, 2 en 3.
De lidstaten die de in de eerste alinea van dit lid bedoelde maatregelen toepassen, brengen uiterlijk op 30 juni 2011 aan de Commissie verslag uit over de gelijkwaardigheid van die maatregelen met de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde maatregelen. De lidstaten brengen om de drie jaar verslag uit aan de Commissie. De verslagen kunnen worden opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie.
5. Na van een lidstaat het nationale verslag over de toepassing van de in lid 4 beschreven mogelijkheid te hebben ontvangen, kan de Commissie verzoeken om nadere specifieke informatie over de voorschriften en de gelijkwaardigheid van de maatregelen bedoeld in dat lid. In dat geval gaat de betrokken lidstaat binnen negen maanden over tot het verstrekken van de verlangde informatie of tot het voorstellen van wijzigingen.