Art. 14 Richtlijn 2010/31/EU, Keuring van verwarmingssystemen

Richtlijn 2010/31/EU

1. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van de toegankelijke delen van systemen die worden gebruikt voor het verwarmen van gebouwen, zoals de warmtegenerator, het controlesysteem en de circulatiepomp(en), met cv-ketels met een nominaal vermogen voor het verwarmen van ruimten van meer dan 20 kW. Die keuring omvat een beoordeling van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte vergeleken met de verwarmingsbehoeften van het gebouw. De beoordeling van de ketelgrootte hoeft niet de worden herhaald zolang er tussentijds niets wordt veranderd aan het verwarmingssysteem of de verwarmingsbehoeften van het gebouw.

De lidstaten kunnen dergelijke keuringen al naargelang het geval minder frequent laten plaatsvinden of lichter maken indien er een elektronisch toezicht- en controlesysteem werkzaam is.

2. Lidstaten kunnen de frequentie van de keuringen laten variëren naargelang het type en het nominaal vermogen van het verwarmingssysteem, daarbij rekening houdend met de kosten voor de keuring van het verwarmingssysteem en de geraamde besparingen van energiekosten die uit de keuring kunnen voortvloeien.

3. Verwarmingssystemen met cv-ketels met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW dienen ten minste om de twee jaar gekeurd te worden.

Voor gasketels kan deze periode verlengd worden tot vier jaar.

4. Als alternatief voor de leden 1, 2 en 3 hebben de lidstaten de mogelijkheid maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat gebruikers geadviseerd worden over vervanging van de cv-ketels, andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen om de doeltreffendheid en de juiste grootte van de ketel te beoordelen. Deze aanpak dient hetzelfde globaal resultaat op te leveren als het bepaalde in de leden 1, 2 en 3.

De lidstaten die de in de eerste alinea bedoelde maatregelen toepassen, brengen tegen ten laatste 30 juni 2011 bij de Commissie verslag uit over de gelijkwaardigheid van die maatregelen met de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde maatregelen. De lidstaten brengen om de drie jaar verslag uit bij de Commissie. De verslagen kunnen worden opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie.

5. Na van een lidstaat het nationale verslag over de toepassing van de in lid 4 beschreven mogelijkheid te hebben ontvangen, kan de Commissie verzoeken om nadere specifieke informatie over de voorschriften en de gelijkwaardigheid van de maatregelen bedoeld in dat lid. In dat geval gaat de betrokken lidstaat binnen negen maanden over tot het verstrekken van de verlangde informatie of tot het voorstellen van wijzigingen.