Art. 5 Verordening (EG) nr. 1224/2009, Algemene beginselen
Verordening (EG) nr. 1224/2009
1. De lidstaten controleren de onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vallende activiteiten die natuurlijke of rechtspersonen verrichten op hun grondgebied of in de wateren die onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallen, met name het visserijactiviteiten, het overladen, het overbrengen van vis naar kooien of aquacultuurinstallaties, met inbegrip van vetmestinstallaties, en het aanlanden, invoeren, vervoeren, verwerken, afzetten en opslaan van visserij- en aquacultuurproducten.
2. De lidstaten controleren ook de toegang tot de wateren en de hulpbronnen, alsmede de activiteiten buiten de communautaire wateren van communautaire vissersvaartuigen die hun vlag voeren, en, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenlidstaat, van hun onderdanen.
3. De lidstaten stellen passende maatregelen vast, wijzen adequate financiële, personele en technische hulpmiddelen toe en zetten alle administratieve en technische structuren op die nodig zijn om de onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vallende activiteiten te controleren, te inspecteren en te handhaven. Zij stellen alle passende middelen ter beschikking van hun bevoegde autoriteiten en functionarissen om hen in staat te stellen hun taken te vervullen.
4. Elke lidstaat zorgt ervoor dat controle, inspectie en handhaving op niet-discriminerende wijze verlopen wat betreft sectoren, vaartuigen of personen, en dat zij op basis van risicobeheer worden verricht.
5. In elke lidstaat coördineert één enkele autoriteit de controleactiviteiten van alle nationale controleautoriteiten. Die autoriteit is ook verantwoordelijk voor de coördinatie van het verzamelen, behandelen en certificeren van de gegevens over de visserijactiviteiten en voor de verslaggeving aan, de samenwerking met en het doorgeven van informatie aan de Commissie, het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad (23) opgerichte Communautair Bureau voor visserijcontrole, andere lidstaten en, zo nodig, derde landen.
6. Overeenkomstig de procedure van artikel 103 worden de bijdragen uit het Europees Visserijfonds in het kader van Verordening (EG) nr. 1198/2006 en de financiële bijdragen van de Gemeenschap voor de in artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 861/2006 bedoelde maatregelen slechts betaald als de lidstaten hun verplichting nakomen om ervoor te zorgen dat de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid die betrekking hebben op de doeltreffendheid van de gefinancierde maatregelen of daarop een impact hebben, worden nageleefd en om hiertoe een doeltreffend controle-, inspectie- en handhavingsysteem toe te passen en in stand te houden.
7. Overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden zien de Commissie en de lidstaten er bij het beheer en de controle van de financiële bijstand van de Gemeenschap op toe dat de doelstellingen van deze verordening worden bereikt.