Art. 66 Verordening (EG) nr. 1122/2009, Verlagingen en uitsluitingen ten aanzien van schapen en geiten waarvoor steun is aangevraagd

Verordening (EG) nr. 1122/2009

1. Wanneer ten aanzien van steunaanvragen in het kader van de steunregeling voor schapen en geiten een verschil wordt vastgesteld tussen het aangegeven aantal dieren en het aantal dieren dat overeenkomstig artikel 63, lid 3, is geconstateerd, is het bepaalde in artikel 65, leden 2, 3 en 4, van overeenkomstige toepassing vanaf het eerste dier waarvoor onregelmatigheden worden vastgesteld.

2. Indien wordt vastgesteld dat een producent van schapenvlees die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkoopt, heeft verzuimd deze verkoopactiviteit in zijn premieaanvraag te vermelden, wordt het premiebedrag waarop hij aanspraak kan maken, verlaagd tot het premiebedrag dat geldt voor producenten van schapenvlees die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkopen, minus het verschil tussen dit laatste premiebedrag en het volledige bedrag van de ooienpremie.

3. Indien ten aanzien van aanvragen om de aanvullende premie wordt vastgesteld dat minder dan 50 % van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in gebieden als bedoeld in artikel 102, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt de aanvullende premie niet betaald en worden de ooien- en de geitenpremie verlaagd met een bedrag dat overeenkomt met 50 % van de aanvullende premie.

4. Indien wordt vastgesteld dat minder dan 50 % van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in de gebieden die zijn vermeld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1121/2009, wordt de geitenpremie niet betaald.

5. Indien wordt vastgesteld dat een verweidende producent die een aanvraag om de aanvullende premie heeft ingediend, niet ten minste 90 % van zijn dieren gedurende ten minste 90 dagen in een gebied als bedoeld in artikel 102, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 heeft geweid, wordt de aanvullende premie niet betaald en wordt de ooien- of de geitenpremie verlaagd met een bedrag dat overeenkomt met 50 % van de aanvullende premie.

6. Indien wordt vastgesteld dat een onregelmatigheid als bedoeld in de leden 2, 3, 4 of 5 met opzet is begaan, wordt het totale in die leden bedoelde steunbedrag geweigerd.

In dat geval wordt de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag dat gelijk is aan dat steunbedrag. Dat bedrag wordt verrekend overeenkomstig artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 885/2006. Indien het bedrag niet volledig overeenkomstig dat artikel kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

7. Wanneer voor landbouwers die ooien en geiten houden die recht geven op hetzelfde premieniveau, bij een controle ter plaatse een verschil blijkt in de samenstelling van de kudde wat de aantallen dieren per soort betreft, worden de dieren geacht tot dezelfde groep te behoren.