Art. 71, Toepassing van verlagingen in geval van nalatigheid
1. Onverminderd artikel 77, geldt dat, indien een geconstateerd geval van niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de landbouwer, een verlaging wordt toegepast. Deze verlaging bedraagt in de regel 3 % van het in artikel 70, lid 8, bedoelde totale bedrag.
Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van de bevoegde controleautoriteit in het in artikel 54, lid 1, onder c), bedoelde evaluatiegedeelte van het controleverslag besluiten om dat percentage te verlagen tot 1 % of te verhogen tot 5 % van het bovenbedoelde totale bedrag dan wel in de in artikel 54, lid 1, onder c), tweede alinea, bedoelde gevallen, in het geheel geen verlagingen op te leggen.
2. Ingeval de lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid om een verlaging of uitsluiting niet toe te passen, en de landbouwer de situatie niet binnen een bepaalde termijn heeft gecorrigeerd, wordt de verlaging of uitsluiting alsnog toegepast.
Deze termijn wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld en verstrijkt uiterlijk aan het einde van het jaar na dat waarin de bevinding is gedaan.
3. Ingeval de lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 24, lid 2, tweede en derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid om een geval van niet-naleving als van gering belang te beschouwen, en de landbouwer de situatie niet binnen een bepaalde termijn heeft gecorrigeerd, wordt een verlaging toegepast.
Deze termijn wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld en verstrijkt uiterlijk aan het einde van het jaar na dat waarin de bevinding is gedaan.
Het betrokken geval van niet-naleving wordt niet als van gering belang beschouwd en overeenkomstig lid 1 wordt een verlaging van ten minste 1 % toegepast.
Voorts wordt een geval van niet-naleving dat als van gering belang is aangemerkt en door de landbouwer binnen de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde termijn is gecorrigeerd, voor de toepassing van lid 5 niet als een niet-naleving beschouwd.
4. Ingeval meer dan één geval van niet-naleving is geconstateerd en de gevallen van niet-naleving betrekking hebben op verschillende terreinen van de randvoorwaarden, wordt de in lid 1 bepaalde procedure voor de vaststelling van de verlaging afzonderlijk toegepast op elk geval van niet-naleving.
De daaruit voortvloeiende verlagingspercentages worden bij elkaar opgeteld. De maximale verlaging is evenwel niet hoger dan 5 % van het in artikel 70, lid 8, bedoelde totale bedrag.
5. Onverminderd de gevallen van opzettelijke niet-naleving als bedoeld in artikel 72 wordt, indien herhaalde niet-nalevingen zijn geconstateerd, bij de eerste herhaling een percentage dat overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel is vastgesteld voor de herhaalde niet-naleving, vermenigvuldigd met de factor drie. Mocht dat percentage overeenkomstig artikel 70, lid 6, zijn vastgesteld, dan bepaalt het betaalorgaan hiertoe het percentage dat zou zijn toegepast ten aanzien van de herhaalde niet-naleving van de betrokken eis of norm.
In het geval van verdere herhalingen wordt de vermenigvuldigingsfactor drie telkens toegepast op het resultaat van de verlaging die voor de vorige herhaalde niet-naleving is vastgesteld. De maximale verlaging is evenwel niet hoger dan 15 % van het in artikel 70, lid 8, bedoelde totale bedrag.
Zodra het maximum van 15 % is bereikt, deelt het betaalorgaan de betrokken landbouwer mee dat, indien dezelfde niet-naleving nogmaals wordt geconstateerd, zal worden aangenomen dat hij met opzet heeft gehandeld in de zin van artikel 72. Indien daarna een verdere niet-naleving wordt geconstateerd, wordt het toe te passen verlagingspercentage vastgesteld door het resultaat van de vorige vermenigvuldiging, in voorkomend geval vóór de toepassing van de in de tweede alinea, laatste zin, bedoelde beperking tot 15 %, te vermenigvuldigen met de factor drie.
6. Ingeval een herhaalde niet-naleving wordt geconstateerd samen met een andere niet-naleving of een andere herhaalde niet-naleving, worden de daaruit voortvloeiende verlagingspercentages bij elkaar opgeteld. Onverminderd het bepaalde in lid 5, derde alinea, is de maximale verlaging evenwel niet hoger dan 15 % van het in artikel 70, lid 8, bedoelde totale bedrag.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 19 juli 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BX3430
- CBb 25 augustus 2016, ECLI:NL:CBB:2016:266
- CBb 27 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:102
- CBb 8 februari 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ4406
- Rb. Midden-Nederland 5 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4479
- CBb 20 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:440
- CBb 14 september 2016, ECLI:NL:CBB:2016:287
- CBb 1 mei 2015, ECLI:NL:CBB:2015:224
- CBb 19 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:487
- CBb 5 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:466
- CBb 7 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:268
- CBb 19 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:192
- CBb 13 april 2017, ECLI:NL:CBB:2017:166
- CBb 22 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:418
- CBb 25 februari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:64
- CBb 1 mei 2015, ECLI:NL:CBB:2015:227
- CBb 27 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:101
- CBb 24 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:496
- CBb 18 juli 2014, ECLI:NL:CBB:2014:288
- CBb 15 mei 2014, ECLI:NL:CBB:2014:197