Art. 4, Instandhouding van het blijvend grasland op individueel niveau
1. Indien blijkt dat het in artikel 3, lid 1, van de onderhavige verordening bedoelde aandeel blijvend grasland afneemt, legt de betrokken lidstaat op nationaal of regionaal niveau aan de landbouwers die steun aanvragen in het kader van welke dan ook van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde regelingen inzake rechtstreekse betalingen, de verplichting op dat zij blijvend grasland niet zonder voorafgaande toestemming mogen omzetten.
Indien aan de in de eerste alinea bedoelde toestemming de voorwaarde wordt verbonden dat een oppervlakte blijvend grasland wordt aangelegd, wordt die oppervlakte in afwijking van de definitie in artikel 2, punt 2, vanaf de eerste dag van de omzetting als blijvend grasland beschouwd. Dergelijke oppervlakten moeten voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen worden gebruikt gedurende de vijf opeenvolgende jaren na de datum van de omzetting.
2. Indien blijkt dat de nakoming van de in artikel 3, lid 2, van de onderhavige verordening neergelegde verplichting niet kan worden gegarandeerd, legt de betrokken lidstaat, ter aanvulling van de overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel genomen maatregelen, op nationaal of regionaal niveau aan de landbouwers die steun aanvragen in het kader van welke dan ook van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde regelingen inzake rechtstreekse betalingen, de verplichting op dat die landbouwers die beschikken over land dat van blijvend grasland in land voor andere vormen van grondgebruik is omgezet, land opnieuw in blijvend grasland moeten omzetten.
Deze verplichting geldt voor blijvend grasland dat aldus is omgezet sinds de begindatum van de periode van 24 maanden voorafgaande aan de meest recente datum waarop overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de onderhavige verordening de verzamelaanvragen in de betrokken lidstaat uiterlijk moesten worden ingediend.
In een dergelijk geval zetten de landbouwers een percentage van de betrokken oppervlakte opnieuw in blijvend grasland om of leggen zij een daarmee overeenkomende oppervlakte blijvend grasland aan. Dit percentage wordt berekend op basis van de door de landbouwer in een ander grondgebruik omgezette oppervlakte en de oppervlakte die nodig is om het evenwicht te herstellen.
Indien het betrokken land echter is overgedragen nadat het in land voor andere vormen van grondgebruik was omgezet, geldt deze verplichting slechts indien de overdracht na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 796/2004 heeft plaatsgevonden.
In afwijking van artikel 2, lid 2, worden oppervlakten die opnieuw in blijvend grasland worden omgezet of waarop blijvend grasland wordt aangelegd, vanaf de eerste dag van de heromzetting of aanleg als „blijvend grasland” beschouwd. Dergelijke oppervlakten worden voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen gebruikt gedurende de vijf opeenvolgende jaren na de datum van de omzetting ervan.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde verplichtingen voor landbouwers gelden niet in het geval dat landbouwers blijvend grasland hebben aangelegd in het kader van programma’s op grond van Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad (14), Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad (15) en Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (16).