Art. 3 Verordening (EG) nr. 1122/2009, Instandhouding van het blijvend grasland op het niveau van de lidstaat
Verordening (EG) nr. 1122/2009
1. Onverminderd de uitzonderingen waarin artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorziet, zorgt de lidstaat overeenkomstig de eerste alinea van dat lid voor de handhaving van het aandeel blijvend grasland in de totale oppervlakte landbouwgrond. Deze verplichting geldt op nationaal of regionaal niveau.
Indien evenwel de overeenkomstig lid 4, onder a), lid 5, onder a), lid 6, onder a), en lid 7, onder a), van het onderhavige artikel bepaalde oppervlakte blijvend grasland in absolute cijfers wordt gehandhaafd, wordt de in artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 neergelegde verplichting als nagekomen beschouwd.
2. Voor de toepassing van artikel 6, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 zorgen de lidstaten ervoor dat het in lid 1 bedoelde aandeel niet met meer dan 10 % afneemt ten opzichte van het aandeel in het relevante referentiejaar zoals vermeld in artikel 6, lid 2, eerste alinea, van die Verordening (hierna het „referentieaandeel” genoemd).
3. Het in lid 1 bedoelde aandeel wordt jaarlijks bepaald op basis van de door de landbouwers voor het betrokken jaar aangegeven oppervlakten.
4. Voor de andere dan de nieuwe lidstaten wordt het referentieaandeel als volgt vastgesteld:
a) het blijvend grasland is het in 2003 door de landbouwers aangegeven blijvend grasland plus het in 2005 overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aangegeven blijvend grasland waarvoor in 2003 geen ander grondgebruik dan grasland is aangegeven tenzij de landbouwer kan aantonen dat de betrokken grond in 2003 geen blijvend grasland was.
In 2005 als blijvend grasland aangegeven oppervlakten die in 2003 in aanmerking kwamen voor de in artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad (13) bedoelde areaalbetaling voor akkerbouwgewassen, worden buiten beschouwing gelaten.
Grond die in 2003 blijvend grasland was en die is bebost overeenkomstig artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt buiten beschouwing gelaten;
b) de totale oppervlakte landbouwgrond is de in 2005 door de landbouwers aangegeven totale oppervlakte landbouwgrond.
5. Voor de nieuwe lidstaten die voor het jaar 2004 de bij artikel 143 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde regeling inzake een enkele areaalbetaling niet hebben toegepast, wordt het referentieaandeel als volgt vastgesteld:
a) het blijvend grasland is het in 2004 door de landbouwers aangegeven blijvend grasland plus het in 2005 overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aangegeven blijvend grasland waarvoor in 2004 geen ander grondgebruik dan grasland is aangegeven tenzij de landbouwer kan aantonen dat de betrokken grond in 2004 geen blijvend grasland was.
In 2005 als blijvend grasland aangegeven oppervlakten die in 2004 in aanmerking kwamen voor de in artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde areaalbetaling voor akkerbouwgewassen, worden buiten beschouwing gelaten.
Grond die in 2004 blijvend grasland was en die is bebost overeenkomstig artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt buiten beschouwing gelaten;
b) de totale oppervlakte landbouwgrond is de in 2005 door de landbouwers aangegeven totale oppervlakte landbouwgrond.
6. Voor de nieuwe lidstaten die voor het jaar 2004 de bij artikel 143 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast, wordt het referentieaandeel als volgt vastgesteld:
a) het blijvend grasland is het in 2005 door de landbouwers overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aangegeven blijvend grasland.
Grond die in 2005 blijvend grasland was en die is bebost overeenkomstig artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt buiten beschouwing gelaten;
b) de totale oppervlakte landbouwgrond is de in 2005 door de landbouwers aangegeven totale oppervlakte landbouwgrond.
7. Voor Bulgarije en Roemenië wordt het referentieaandeel als volgt vastgesteld:
a) het blijvend grasland is het in 2007 door de landbouwers overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aangegeven blijvend grasland.
Grond die in 2005 blijvend grasland was en die is bebost overeenkomstig artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt buiten beschouwing gelaten;
b) de totale oppervlakte landbouwgrond is de in 2007 door de landbouwers aangegeven totale oppervlakte landbouwgrond.
8. Ingeval uit objectieve elementen blijkt dat de feitelijke ontwikkeling van het blijvend glasland niet tot uiting komt in de ontwikkeling van het aandeel, dan passen de lidstaten het referentieaandeel aan. In dat geval wordt de Commissie onverwijld in kennis gesteld van de aanpassing en de redenen daarvoor.