Art. 16, Procedure voor de toepassing van artikel 13 van de basisverordening
1. Degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht, stelt het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats, daarvan in kennis.
2. Het aangewezen orgaan van de woonplaats stelt onverwijld de op de betrokkene toepasselijke wetgeving vast, met inachtneming van artikel 13 van de basisverordening en artikel 14 van de toepassingsverordening. Deze aanvankelijke vaststelling heeft een voorlopig karakter. Het orgaan brengt de aangewezen organen van elke lidstaat waar werkzaamheden worden verricht op de hoogte van zijn voorlopige vaststelling.
3. De voorlopige vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bedoeld in lid 2, wordt definitief binnen twee maanden nadat de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten aangewezen organen ervan in kennis zijn gesteld overeenkomstig lid 2, tenzij de wetgeving reeds definitief is vastgesteld op basis van lid 4, of tenzij ten minste een van de betrokken organen de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen organen aan het eind van de periode van twee maanden ervan in kennis stelt dat het nog niet met de vaststelling kan instemmen of hierover een ander standpunt inneemt.
4. Indien onzekerheid betreffende de vaststelling van de toepasselijke wetgeving noopt tot contacten tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten wordt, op verzoek van een of meer van de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten aangewezen organen of van de bevoegde autoriteiten zelf, de op de betrokkene toepasselijke wetgeving in onderlinge overeenstemming vastgesteld, met inachtneming van artikel 13 van de basisverordening en de desbetreffende bepalingen van artikel 14 van de toepassingsverordening.
Indien er een verschil van mening bestaat tussen de betrokken organen of bevoegde autoriteiten, streven deze instanties naar een akkoord overeenkomstig bovengenoemde voorwaarden; artikel 6 van de toepassingsverordening is van toepassing.
5. Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving voorlopig of definitief van toepassing is verklaard, stelt de betrokkene onverwijld in kennis.
6. Indien de betrokkene nalaat de in lid 1 vermelde informatie te verstrekken, wordt dit artikel toegepast op initiatief van het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen orgaan, zodra het, eventueel via een ander betrokken orgaan, in kennis is gesteld van de situatie van de betrokkene.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof 's-Hertogenbosch 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3140
- Hof 's-Hertogenbosch 19 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1644
- Hof 's-Hertogenbosch 27 september 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3983
- Hof 's-Hertogenbosch 19 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1665
- Hof 's-Hertogenbosch 7 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1472
- CRvB 21 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2588
- CRvB 20 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2878
- CRvB 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2748
- Hof Den Haag 9 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1
- Conclusie A-G Niessen 2 augustus 2018, ECLI:NL:PHR:2018:839
- Hof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5939
- Conclusie A-G Niessen 2 augustus 2018, ECLI:NL:PHR:2018:840
- Hof 's-Hertogenbosch 7 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1478
- Hof 's-Hertogenbosch 1 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2285
- Hof 's-Hertogenbosch 7 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1473
- Hof Amsterdam 9 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1895
- CRvB 21 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2637
- CRvB 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:551
- Rb. Zeeland-West-Brabant 22 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2638
- Rb. Zeeland-West-Brabant 1 maart 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:1035