Art. 2 Verordening (EG) nr. 352/2009, Toepassingsgebied

Verordening (EG) nr. 352/2009

1. De gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling geldt voor elke wijziging van een spoorwegsysteem in een lidstaat als bedoeld in punt 2, onder d), van bijlage III bij Richtlijn 2004/49/EG die als belangrijk worden beschouwd in de zin van artikel 4 van deze verordening. Die wijzigingen kunnen van zowel technische, operationele als organisatorische aard zijn. Wat de operationele wijzigingen betreft, wordt alleen rekening gehouden met de wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de exploitatievoorwaarden.

2. Betreffen de belangrijke wijzigingen subsystemen van structurele aard waarop Richtlijn 2008/57/EG van toepassing is, dan is de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling van toepassing:

a) indien in de toepasselijke technische specificatie voor interoperabiliteit (TSI) een risicobeoordeling wordt verlangd. In dat geval wordt, waar nodig, in de TSI vermeld welke delen van de gemeenschappelijke veiligheidsmethode van toepassing zijn;

b) om krachtens artikel 15, lid 1, van Richtlijn 2008/57/EG, de veilige integratie in een bestaand systeem te waarborgen van de subsystemen van structurele aard waarop de TSI's van toepassing zijn.

De toepassing van de gemeenschappelijke veiligheidsmethode mag er in het in de eerste alinea, onder b), bedoelde geval evenwel niet toe leiden dat vereisten worden opgelegd die strijdig zijn met de bindende vereisten van de toepasselijke TSI's.

Indien door toepassing van de gemeenschappelijke veiligheidsmethode een vereiste wordt vastgesteld dat strijdig is met de toepasselijke TSI, deelt de initiatiefnemer dit mee aan de betrokken lidstaat, die kan besluiten een afwijking van de TSI te vragen overeenkomstig artikel 6, lid 2, of artikel 7 van Richtlijn 2008/57/EG, of een afwijking overeenkomstig artikel 9 van die richtlijn.

3. Deze verordening is niet van toepassing op:

a) metro's, trams en andere lichte spoorwegsystemen;

b) netten die functioneel losstaan van de rest van het spoorwegnet, en die uitsluitend bedoeld zijn voor de uitvoering van plaatselijke, stedelijke of voorstedelijke passagiersdiensten, alsook spoorwegondernemingen die uitsluitend deze netten exploiteren;

c) spoorweginfrastructuur in particulier eigendom die uitsluitend door de eigenaar van de infrastructuur voor zijn eigen goederenvervoer wordt gebruikt;

d) historisch rollend materieel dat op nationale netten rijdt, mits het voldoet aan nationale veiligheidsvoorschriften en -vereisten ter waarborging van een veilige exploitatie van die voertuigen;

e) historische, museum- en toeristische spoorlijnen op eigen netten, met inbegrip van werkplaatsen of rollend materieel of personeel.

4. Deze verordening is niet van toepassing op systemen of wijzigingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening een project in een vergevorderd stadium zijn als bedoeld in artikel 2, onder t), van Richtlijn 2008/57/EG.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen