Art. 54 Verordening (EG) nr. 73/2009, Overgangsbetalingen voor groenten en fruit

Verordening (EG) nr. 73/2009

1. Tot en met 31 december 2011 mogen de lidstaten tot 50 % van de aandelen van de in artikel 40 van de onderhavige verordening bedoelde nationale maxima die bestemd zijn voor steun voor de productie van tomaten, behouden.

In dit geval doet de betrokken lidstaat jaarlijks binnen het overeenkomstig artikel 51, lid 2, vastgestelde maximum een extra betaling aan landbouwers.

De extra betaling wordt verleend aan landbouwers die tomaten produceren overeenkomstig de voorwaarden van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 8, van de onderhavige verordening.

2. De lidstaten mogen:

a) tot en met 31 december 2010, tot 100 % behouden van het aandeel in de in artikel 40 van de onderhavige verordening genoemde nationale maxima dat bestemd is voor steun voor de productie van bepaalde in de derde alinea bedoelde andere groente- en fruitgewassen dan eenjarige die ter verwerking worden geleverd en subsidiabel waren uit hoofde van de steunregelingen van Verordening (EG) nr. 2201/96 en Verordening (EG) nr. 2202/96; en

b) van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012, tot 75 % behouden van het aandeel in de in artikel 40 van de onderhavige verordening genoemde nationale maxima dat bestemd is voor steun voor de productie van bepaalde in de derde alinea bedoelde andere groente- en fruitgewassen dan eenjarige die ter verwerking worden geleverd en subsidiabel waren uit hoofde van de steunregelingen van Verordening (EG) nr. 2201/96 van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector verwerkte produkten op basis van groenten en fruit (25) en Verordening (EG) nr. 2202/96 van de Raad van 28 oktober 1996 tot invoering van een steunregeling voor telers van bepaalde citrussoorten (26).

In dit geval doet de betrokken lidstaat jaarlijks binnen het overeenkomstig artikel 51, lid 2, van de onderhavige verordening vastgestelde maximum een extra betaling aan landbouwers.

De extra betaling wordt volgens de voorwaarden van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 8, toegekend aan landbouwers die een of meer van de volgende groente- en fruitsoorten produceren, zoals vastgesteld door de betrokken lidstaat:

i) verse vijgen,

ii) verse citrusvruchten,

iii) tafeldruiven,

iv) peren,

v) perziken en nectarines, en

vi) bepaalde soorten pruimen verkregen uit „prunes d'Ente”.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde aandelen van de nationale maxima worden vastgesteld in bijlage X.