Art. 15 Richtlijn 2009/28/EG, Garanties van oorsprong voor elektriciteit, verwarming en koeling geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen

Richtlijn 2009/28/EG

1. Teneinde overeenkomstig artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG aan de eindafnemer het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen aan te tonen in de energiemix van een energieleverancier, zien de lidstaten erop toe dat de oorsprong van de elektriciteit die uit hernieuwbare energiebronnen is geproduceerd als zodanig kan worden gegarandeerd in de zin van deze richtlijn, overeenkomstig objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.

2. Daartoe zien de lidstaten erop toe dat een garantie van oorsprong wordt afgegeven op verzoek van een producent van uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde elektriciteit. De lidstaten kunnen maatregelen nemen opdat garanties van oorsprong worden afgegeven op verzoek van producenten van uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde verwarming of koeling. Deze maatregelen kunnen worden onderworpen aan een minimumcapaciteitslimiet. Een garantie van oorsprong wordt afgegeven voor de standaardhoeveelheid van 1 MWh. Voor elke geproduceerde eenheid energie mag niet meer dan één garantie van oorsprong worden afgegeven.

De lidstaten zien erop toe dat er geen dubbeltellingen zijn voor dezelfde eenheid energie uit hernieuwbare bronnen.

De lidstaten kunnen bepalen dat een producent geen steun ontvangt indien hij voor dezelfde uit hernieuwbare bronnen geproduceerde energie een garantie van oorsprong ontvangt.

De garantie van oorsprong heeft geen functie bij het bepalen of een lidstaat aan artikel 3 voldoet. De overdracht van garanties van oorsprong, afzonderlijk of samen met de fysieke overdracht van energie, heeft geen gevolgen voor het besluit van de lidstaten om voor het halen van de streefcijfers gebruik te maken van statistische overdrachten, gezamenlijke projecten of gezamenlijke steunregelingen, of voor de berekening van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen overeenkomstig artikel 5.

3. Een garantie van oorsprong wordt gebruikt binnen twaalf maanden na de productie van de desbetreffende energie-eenheid. Na gebruik vervalt de garantie van oorsprong.

4. De lidstaten of de aangewezen bevoegde organen zien toe op de afgifte, overdracht en verval van garanties van oorsprong. De aangewezen bevoegde organen hebben geografische verantwoordelijkheden die elkaar niet overlappen en zijn onafhankelijk van productie-, handels- en leveringsactiviteiten.

5. De lidstaten of de aangewezen bevoegde organen stellen passende mechanismen in die ervoor moeten zorgen dat garanties van oorsprong elektronisch worden afgegeven, overgedragen en geschrapt en nauwkeurig, betrouwbaar en fraudebestendig zijn.

6. Op een garantie van oorsprong wordt minstens het volgende vermeld:

a) de energiebron waarmee de energie is geproduceerd en de begin- en einddatum van de productie;

b) of de garantie van oorsprong betrekking heeft op:

i) elektriciteit; of

ii) verwarming of koeling;

c) de identiteit, de locatie, het type en de capaciteit van de installatie waar de energie is geproduceerd;

d) of en in welke mate de installatie investeringssteun heeft gekregen, of en in welke mate de energie-eenheid op enige andere manier steun heeft gekregen uit een nationale steunregeling, en het type steunregeling;

e) de datum waarop de installatie operationeel is geworden; en

f) de datum en het land van afgifte en een uniek identificatienummer.

7. Een elektriciteitsleverancier die voor de toepassing van artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix moet aantonen, kan dat doen door middel van zijn garanties van oorsprong.

8. De hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die overeenstemt met door een leverancier van elektriciteit aan een derde partij overgedragen garanties van oorsprong, wordt voor de toepassing van artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG afgetrokken van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix.

9. De lidstaten erkennen de door andere lidstaten afgegeven garanties van oorsprong overeenkomstig deze richtlijn uitsluitend als bewijs van de in lid 1 en lid 6, onder a) tot en met f), bedoelde elementen. Een lidstaat mag een garantie van oorsprong alleen weigeren te erkennen, als hij gegronde twijfels heeft omtrent de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid of waarachtigheid daarvan. De lidstaten stellen de Commissie van deze weigering en de motivering ervan in kennis.

10. Indien de Commissie vaststelt dat een weigering van de erkenning van een garantie van oorsprong ongegrond is, kan zij een besluit vaststellen waarbij de lidstaat in kwestie verplicht wordt de garantie te erkennen.

11. Een lidstaat kan conform de Gemeenschapswetgeving objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria voor het gebruik van garanties van oorsprong vaststellen bij de naleving van de voorschriften van artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG.

12. Indien energieleveranciers energie uit hernieuwbare bronnen aan de consument verhandelen met een verwijzing naar ecologische of andere voordelen van energie uit hernieuwbare bronnen, kunnen de lidstaten van die energieleveranciers verlangen dat zij, in beknopte vorm, informatie beschikbaar stellen over de hoeveelheid of het aandeel van hun energie uit hernieuwbare bronnen afkomstig van na 25 juni 2009 operationeel geworden installaties of capaciteitsverhogingen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen