Art. 19 Richtlijn 2009/28/EG, Berekening van het effect van biobrandstoffen en vloeibare biomassa op de broeikasgasemissies

Richtlijn 2009/28/EG

1. Met het oog op de toepassing van artikel 17, lid 2, wordt de broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa als volgt berekend:

a) indien een standaardwaarde voor de broeikasgasemissiereductie met betrekking tot de productieketen is vastgesteld in deel A of B van bijlage V, en indien de el -waarde voor deze biobrandstoffen of vloeibare biomassa berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage V, gelijk is aan of lager is dan nul, wordt die standaardwaarde gebruikt;

b) de werkelijke waarde, berekend overeenkomstig de in bijlage V, deel C, vastgestelde methode, wordt gebruikt; of

c) er wordt een waarde gebruikt die wordt berekend als de som van de factoren van de formule in punt 1 van deel C van bijlage V, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in bijlage V, deel D of E kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de feitelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage V, deel C, voor alle andere factoren.

2. Uiterlijk op 31 maart 2010 dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in met de lijst van de gebieden op hun grondgebied die volgens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (23) als niveau 2 in de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek („NUTS”) dan wel als een meer gedesaggregeerd NUTS-niveau zijn ingedeeld, waarvoor de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouwgrondstoffen naar verwachting lager dan of gelijk aan de emissies waarover verslag is uitgebracht onder de titel „Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt” in bijlage V, deel D, van deze richtlijn, samen met een beschrijving van de methode en de gegevens die zij gebruikt hebben om die lijst op te stellen. Die methode houdt rekening met de bodemkenmerken, het klimaat en de verwachte opbrengst aan grondstoffen.

3. De in bijlage V, deel A, vermelde standaardwaarden voor biobrandstoffen en de in bijlage V, deel D, vermelde gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa mogen alleen worden gebruikt als de grondstoffen:

a) worden geteeld buiten de Gemeenschap; of

b) worden geteeld in de Gemeenschap in gebieden die voorkomen op de in lid 2 bedoelde lijsten; of

c) afval of residuen, andere dan landbouw-, aquacultuur- of visserijresiduen, zijn.

Voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die niet onder het bepaalde in a), b) of c) vallen, worden feitelijke waarden voor teelt gebruikt.

4. Uiterlijk op 31 maart 2010 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de haalbaarheid van het opstellen van lijsten van gebieden in derde landen waarvoor de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouwgrondstoffen naar verwachting lager dan of gelijk zullen zijn aan de emissies die worden gemeld onder het opschrift „Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt” in bijlage V, deel D, vergezeld, voor zover mogelijk, van deze lijsten en een beschrijving van de methode en de gegevens die zijn gebruikt om deze op te stellen. Indien nodig worden er voorstellen dienaangaande bij het verslag gevoegd.

5. De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de twee jaar, verslag uit over de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage V, delen B en E, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan emissies van het vervoer en de verwerking en, waar nodig, kan besluiten om de waarden te corrigeren. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

6. De Commissie legt uiterlijk op 31 december 2010 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor waarin het effect van indirecte veranderingen in landgebruik op de emissie van broeikasgassen wordt beschreven en waarin wordt nagegaan hoe dit effect kan worden geminimaliseerd. Waar nodig gaat dit verslag vergezeld van een op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens gebaseerd voorstel, waarin een concrete methode wordt opgenomen voor emissies als gevolg van wijzigingen in de koolstofvoorraden veroorzaakt door indirecte veranderingen in landgebruik, om zo te zorgen voor de naleving van deze richtlijn, met name artikel 17, lid 2.

Zulk voorstel bevat de nodige waarborgen om zekerheid te verschaffen voor investeringen die vóór de toepassing van deze methode plaatsvinden. Voor installaties die vóór eind 2013 biobrandstoffen produceerden, heeft de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde maatregelen tot 31 december 2017 niet tot gevolg dat door deze installaties geproduceerde biobrandstoffen worden geacht niet voldaan te hebben aan de duurzaamheidseisen van deze richtlijn indien zij dat anders wel zouden hebben gedaan, op voorwaarde dat deze biobrandstoffen een broeikasgasemissiereductie van minimaal 45 % opleveren. Dit geldt ook voor de capaciteit van biobrandstofinstallaties eind 2012.

Het Europees Parlement en de Raad trachten uiterlijk op 31 december 2012 een besluit te nemen over eventueel door de Commissie ingediende voorstellen.

7. Bijlage V kan worden aangepast aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, onder meer door het toevoegen van waarden voor nieuwe productieketens voor biobrandstoffen voor dezelfde of andere grondstoffen en door de in deel C vermelde methoden te wijzigen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Met betrekking tot de standaardwaarden en de methode vastgelegd in bijlage V, gaat bijzondere aandacht uit naar:

— de wijze waarop afvalstoffen en residuen in aanmerking worden genomen;

— de wijze waarop bijproducten in aanmerking worden genomen;

— de wijze waarop warmtekrachtkoppeling in aanmerking wordt genomen; en

— de status die aan residuen van landbouwproducten wordt gegeven als bijproducten.

De standaardwaarden voor biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie worden zo spoedig mogelijk herzien.

Elke aanpassing van of toevoeging aan de lijst van standaardwaarden in bijlage V voldoet aan het volgende:

a) als een factor in geringe mate bijdraagt tot de totale emissies, als de variatie beperkt is of als de kosten of moeilijkheden voor het vaststellen van feitelijke waarden groot zijn, moeten standaardwaarden worden gebruikt die typisch zijn voor normale productieprocessen;

b) in alle andere gevallen moeten standaardwaarden worden gebruikt die conservatief zijn voor normale productieprocessen.

8. Er worden gedetailleerde definities vastgesteld, waaronder technische specificaties voor de in bijlage V, deel C, punt 9, genoemde categorieën. Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.