Art. 36 Verordening (EG) nr. 889/2008, Planten en plantaardige producten
1. Planten en plantaardige producten worden pas als biologisch beschouwd wanneer de productievoorschriften van de artikelen 9 tot en met 12 van Verordening (EG) nr. 834/2007, van hoofdstuk 1 van de onderhavige verordening en, in voorkomend geval, de uitzonderlijke productievoorschriften van hoofdstuk 6 van de onderhavige verordening op de percelen zijn toegepast gedurende een omschakelingsperiode van ten minste twee jaar vóór het inzaaien of, in het geval van grasland of blijvende voedergewassen, gedurende ten minste twee jaar vóór het gebruik ervan als diervoeders afkomstig van de biologische landbouw, of, in het geval van andere blijvende gewassen dan voedergewassen, gedurende ten minste drie jaar vóór de eerste oogst van biologische producten.
2. De bevoegde autoriteit mag elke periode die aan de omschakelingsperiode voorafgaat, met terugwerkende kracht als deel van deze omschakelingsperiode erkennen voor zover:
a) op de percelen maatregelen zijn toegepast in het kader van een programma dat is uitgevoerd op grond van Verordening (EG) nr. 1257/99, Verordening (EG) nr. 1698/2005 of in het kader van een ander officieel programma, op voorwaarde dat de betrokken maatregelen garanderen dat de percelen niet werden behandeld met producten die niet zijn toegestaan voor gebruik in de biologische productie, of
b) de percelen natuurgrond of landbouwgrond waren die niet werd behandeld met producten die niet zijn toegestaan voor gebruik in de biologische productie.
De in de eerste alinea, onder b), bedoelde periode kan alleen met terugwerkende kracht in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat gedurende ten minste drie jaar aan de voorwaarden werd voldaan.
3. De bevoegde autoriteit kan in bepaalde gevallen beslissen om voor grond die is verontreinigd met producten die niet voor gebruik in de biologische landbouw zijn toegestaan, de in lid 1 bedoelde omschakelingsperiode te verlengen.
4. Voor percelen die reeds zijn omgeschakeld op de biologische landbouwproductie of waar die omschakeling aan de gang was en die zijn behandeld met een product dat niet voor gebruik in de biologische landbouw is toegestaan, kan de lidstaat in de volgende twee gevallen een omschakelingsperiode vaststellen die korter is dan de in lid 1 bedoelde periode:
a) percelen die in het kader van een door de bevoegde autoriteit van de lidstaat opgelegde maatregel ter bestrijding van een ziekte of plaag, zijn behandeld met een product dat niet voor gebruik in de biologische landbouw is toegestaan;
b) percelen die in het kader van door de bevoegde autoriteit van de lidstaat goedgekeurde wetenschappelijke experimenten zijn behandeld met een product dat niet voor gebruik in de biologische landbouw is toegestaan.
In de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde gevallen wordt de duur van de omschakelingsperiode vastgesteld met inachtneming van de volgende factoren:
a) de afbraak van het betrokken product moet zodanig verlopen dat het gehalte aan residuen in de bodem of, in het geval van blijvende teelten, in de plant, aan het einde van de omschakelingsperiode onbeduidend is,
b) de producten van de oogst die op de behandeling volgt, mogen niet worden verkocht met een verwijzing naar biologische productiemethoden.
De betrokken lidstaat moet de andere lidstaten en de Commissie op de hoogte brengen van zijn besluit tot het opleggen van verplichte maatregelen.