Art. 29 Verordening (EG) nr. 889/2008, Verlening door de lidstaat van een vergunning voor het gebruik van niet-biologische voedselingrediënten van agrarische oorsprong
1. Ingrediënten van agrarische oorsprong die niet in bijlage IX bij deze verordening zijn opgenomen, mogen slechts onder de volgende voorwaarden worden gebruikt:
a) de marktdeelnemer heeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat in kennis gesteld van alle nodige bewijsstukken waaruit blijkt dat het betrokken ingrediënt in de Gemeenschap in onvoldoende hoeveelheden overeenkomstig de voorschriften voor de biologische productie wordt geproduceerd en niet uit derde landen kan worden geïmporteerd;
b) de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat heeft eerst geverifieerd dat de marktdeelnemer de nodige contacten met leveranciers in de Gemeenschap heeft gehad om zich ervan te vergewissen dat bij hen geen ingrediënten met de vereiste kwaliteitskenmerken beschikbaar zijn, en heeft vervolgens een voorlopige vergunning verleend voor het gebruik van het ingrediënt gedurende maximaal twaalf maanden;
c) er is geen besluit tot intrekking van een vergunning voor het gebruik van het betrokken ingrediënt vastgesteld overeenkomstig lid 3 of lid 4.
De lidstaat kan de looptijd van de onder b) bedoelde vergunning maximaal drie keer verlengen, telkens met twaalf maanden.
2. Wanneer een in lid 1 bedoelde vergunning is verleend, verstrekt de lidstaat de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk de volgende gegevens:
a) de datum van de vergunning en, in het geval van een vergunning met verlengde looptijd, de datum van de eerste vergunning;
b) de naam, het adres, het telefoonnummer en, waar relevant, het faxnummer en het e-mailadres van de vergunninghouder; de naam en het adres van de contactpersoon bij de autoriteit die de vergunning heeft verleend;
c) de naam en, waar nodig, de precieze omschrijving en de vereiste kwaliteitskenmerken van het betrokken ingrediënt van agrarische oorsprong;
d) de soort producten die met het betrokken ingrediënt moeten worden bereid;
e) de hoeveelheden die nodig zijn en de motivering van deze hoeveelheden;
f) de redenen en de verwachte duur van het tekort;
g) de datum waarop de lidstaat zijn kennisgeving aan de andere lidstaten en aan de Commissie toezendt. De Commissie en/of de lidstaten mogen deze informatie openbaar maken.
3. Als uit de gegevens die een lidstaat verstrekt aan de Commissie en aan de lidstaat die de vergunning heeft verleend, blijkt dat tijdens de periode van het tekort toch hoeveelheden van het ingrediënt beschikbaar zijn, overweegt de laatstbedoelde lidstaat intrekking van de vergunning of beperking van de geldigheidsduur daarvan en stelt hij de Commissie en de andere lidstaten binnen vijftien werkdagen na de datum van ontvangst van de gegevens in kennis van de maatregelen die hij heeft genomen of zal nemen.
4. Op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie wordt de kwestie voor onderzoek voorgelegd aan het in artikel 37 van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde comité. Volgens de in lid 2 van dat artikel bedoelde procedure kan worden besloten dat een reeds verleende vergunning wordt ingetrokken of dat de geldigheidsduur ervan wordt gewijzigd of, indien nodig, dat het betrokken ingrediënt wordt opgenomen in bijlage IX van de onderhavige verordening.
5. In het geval van een verlenging in de zin van lid 1, tweede alinea, zijn de in de leden 2 en 3 bedoelde procedures van toepassing.