Art. 57 Verordening (EG) nr. 498/2007, Melding van vervolgmaatregelen en niet-terugvordering
1. Binnen twee maanden na afloop van elk kwartaal stellen de lidstaten de Commissie, onder verwijzing naar eerder gedane meldingen uit hoofde van artikel 55, in kennis van de procedures die naar aanleiding van de medegedeelde onregelmatigheden zijn ingeleid, alsmede van belangrijke wijzigingen die zich tijdens deze procedures hebben voorgedaan.
Deze informatie behelst ten minste het volgende:
a) de bedragen van de verrichte of verwachte terugvorderingen;
b) de ter waarborging van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen door de lidstaten getroffen conservatoire maatregelen;
c) alle administratieve en gerechtelijke procedures die met het oog op de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen en met het oog op de toepassing van sancties zijn ingeleid;
d) de redenen van een eventuele staking van de terugvorderingsprocedures;
e) het eventuele staken van de strafvervolging.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de administratieve of gerechtelijke beslissingen met betrekking tot de beëindiging van deze procedures of van de wezenlijke elementen van die beslissingen, en vermelden in het bijzonder of die elementen al dan niet een vermoeden van fraude hebben doen rijzen. In het in punt d) bedoelde geval informeren de lidstaten de Commissie, voor zover mogelijk, voordat een beslissing wordt genomen.
2. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een bedrag niet kan worden teruggevorderd of naar verwachting niet zal worden teruggevorderd, geeft hij door middel van een speciale kennisgeving het bedrag aan dat niet kan worden teruggevorderd, alsmede de feiten met betrekking tot het besluit inzake de toedeling van het verloren gegane bedrag uit hoofde van artikel 70, lid 2, van de basisverordening.
Deze gegevens moeten voldoende gedetailleerd zijn om de Commissie in staat te stellen zo spoedig mogelijk en na overleg met de autoriteiten van de betrokken lidstaten een dergelijk besluit te nemen.
De kennisgeving omvat ten minste:
a) een afschrift van het toekenningsbesluit;
b) de datum van de laatste betaling aan de begunstigde;
c) een afschrift van het verzoek tot terugbetaling;
d) in het geval van krachtens artikel 55, lid 2, meldingsplichtige faillissementen, een afschrift van het document waarin de insolventie van de begunstigde formeel wordt vastgesteld;
e) een beknopte beschrijving van de maatregelen die de lidstaat heeft genomen om de betrokken bedragen terug te vorderen, met opgave van de datum van elke maatregel.
3. In het in lid 2 bedoelde geval kan de Commissie de lidstaat uitdrukkelijk verzoeken de terugvorderingsprocedure voort te zetten.