Art. 54 Verordening (EG) nr. 498/2007, Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a) „economische subject”: elke natuurlijke of rechtspersoon of andere instantie die betrokken is bij de uitvoering van bijstand uit het EVF, met uitzondering van de lidstaten in de uitoefening van hun prerogatieven van openbaar gezag;
b) „eerste administratieve of gerechtelijke vaststelling”: de eerste schriftelijke beoordeling door een bevoegde administratieve of gerechtelijke autoriteit waarin op basis van concrete feiten wordt geconcludeerd tot het bestaan van een onregelmatigheid, onverminderd de mogelijkheid dat deze conclusie naderhand, in het licht van de ontwikkelingen in de administratieve of de gerechtelijke procedure, moet worden herzien of ingetrokken;
c) „vermoeden van fraude”: onregelmatigheid die aanleiding geeft tot het inleiden van een administratieve of gerechtelijke procedure in de lidstaat om na te gaan of er sprake is van een opzettelijke gedraging, in het bijzonder van fraude in de zin van artikel 1, lid 1, onder a), van de overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (23);
d) „faillissement”: een van de in artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad (24) omschreven insolventieprocedures.