Art. 10 Verordening (EG) nr. 498/2007, Maatregelen voor productieve investeringen in aquacultuur
1. Voor de toepassing van artikel 29, lid 1, onder a), b) en c), van de basisverordening, wordt verstaan onder:
a) „nieuwe soorten”: soorten waarvoor in de lidstaat nauwelijks of geen aquacultuurproductie bestaat, maar die goede afzetvooruitzichten bieden;
b) „soorten met goede afzetvooruitzichten”: soorten waarvoor uit de voorspellingen op middellange termijn blijkt dat er meer vraag dan aanbod zal zijn op de markt;
c) „gangbare praktijk in de aquacultuursector”: aquacultuuractiviteiten die worden uitgevoerd overeenkomstig de bindende gezondheids-, veterinaire of milieuwetgeving;
d) „traditionele aquacultuur”: sinds lang bestaande praktijken die deel uitmaken van het sociale en culturele erfgoed van een bepaald gebied.
2. De in artikel 29 van de basisverordening bedoelde steun mag worden verleend voor vaartuigen die in de aquacultuur worden gebruikt. Vissersvaartuigen, zoals gedefinieerd in artikel 3, onder c) van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad (16) worden niet als dergelijke vaartuigen beschouwd, ook niet indien zij uitsluitend in de aquacultuur worden ingezet.
3. Onverminderd artikel 35, lid 6, van de basisverordening, mag overeenkomstig artikel 29 van de basisverordening verleende steun worden gebruikt voor investeringen met betrekking tot detailhandel op het bedrijf, wanneer die handel een integrerend onderdeel van het aquacultuurbedrijf is.
4. Wanneer de lidstaten gebruikmaken van de mogelijkheid van artikel 29, lid 1, onder a), van de basisverordening, dienen zij mechanismen op te zetten om de resultaten van de prospectieve marktanalyse betreffende aquacultuursoorten ter beschikking van de beheersautoriteit te stellen.
5. Met betrekking tot de maatregelen van artikel 29 van de basisverordening moeten de lidstaten in hun operationeel programma uiteenzetten hoe bij het verlenen van steun voorrang zal worden gegeven aan kleine en micro-ondernemingen.