Art. 6 Verordening (EG) nr. 498/2007, Investeringen aan boord van vissersvaartuigen en selectiviteit
1. Voor de toepassing van artikel 25 van de basisverordening is de beheersautoriteit verantwoordelijk voor het beoordelen van de naleving van de leden 2 tot en met 5 van dit artikel en verstrekt de beheersautoriteit de Commissie op verzoek ook alle relevante documenten.
2. De totale subsidiabele uitgaven waarvoor overeenkomstig artikel 25 van de basisverordening, met uitzondering van lid 6, onder e), van dat artikel, per vissersvaartuig steun kan worden verleend gedurende de volledige programmeringsperiode, mogen niet meer bedragen dan het in het operationele programma vermelde maximumbedrag dat is vastgesteld op basis van objectieve criteria, zoals die van artikel 23, lid 3, van de basisverordening.
3. De vermindering van het motorvermogen met 20 % mag worden bereikt door een groep vaartuigen, zoals bepaald in artikel 25, lid 4, van de basisverordening, mits alle onderstaande voorwaarden zijn vervuld:
a) alle vaartuigen van dezelfde groep zijn individueel geïdentificeerd;
b) alle vaartuigen van dezelfde groep voeren hun activiteiten in hetzelfde beheersgebied uit;
c) alle vaartuigen van dezelfde groep maken gebruik van hetzelfde hoofdvistuig, zoals vastgesteld in aanhangsel III (afdeling C) bij Verordening (EG) nr. 1639/2001 van de Commissie (12);
d) hoogstens vijftig vaartuigen maken deel uit van dezelfde groep.
4. De capaciteitsvermindering van de visserijvloot met overheidssteun wordt niet meegerekend bij de vermindering van het motorvermogen met 20 % die door een groep vaartuigen mag worden bereikt, zoals bepaald in artikel 25, lid 4, van de basisverordening.
5. Financiële steun uit hoofde van artikel 25, lid 6, onder e), van de basisverordening wordt alleen verleend voor uitrustings- en moderniseringswerken ter bescherming van de vangst en het vistuig tegen overeenkomstig de Richtlijnen 79/409/EEG (13) en 92/43/EEG (14) van de Raad beschermde wilde predatoren.