Art. 9 Richtlijn 2007/64/EG, Beschermingsvereisten

Richtlijn 2007/64/EG

1. De lidstaten of de bevoegde autoriteiten eisen dat een betalingsinstelling die een van de in de bijlage genoemde betalingsdiensten uitvoert en tegelijkertijd andere werkzaamheden verricht uit hoofde van artikel 16, lid 1, onder c), de middelen die zij van de betalingsdienstgebruikers of via een andere betalingsdienstaanbieder heeft ontvangen voor de uitvoering van betalingstransacties, als volgt veilig stelt.

Ofwel:

a) mogen zij op geen enkel tijdstip worden vermengd met de geldmiddelen van een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de betalingsdienstgebruikers voor wier rekening de geldmiddelen worden aangehouden en, wanneer zij aan het einde van de werkdag volgend op de dag waarop de middelen zijn ontvangen, nog door de betalingsinstelling worden aangehouden en nog niet aan de begunstigde of aan een andere betalingsdienstaanbieder zijn overgemaakt, worden zij op een afzonderlijke rekening gestort bij een kredietinstelling of belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad als omschreven door de lidstaat van herkomst, en

b) worden zij overeenkomstig het nationale recht in het belang van de betalingsdienstgebruikers gevrijwaard tegen vorderingen van andere schuldeisers van de betalingsinstelling, in het bijzonder in het geval van insolventie;

ofwel

c) zijn zij gedekt door een verzekeringspolis of een vergelijkbare garantie van een verzekeringsmaatschappij of kredietinstelling die niet tot dezelfde groep behoort als de betalingsinstelling, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij het ontbreken van de verzekeringspolis of vergelijkbare garantie, betaalbaar ingeval de betalingsinstelling niet in staat is haar financiële verplichtingen na te komen.

2. Wanneer een betalingsinstelling middelen veilig moet stellen uit hoofde van lid 1 en een gedeelte van dat bedrag aan geldmiddelen voor toekomstige betalingstransacties gebruikt moet worden terwijl het resterende bedrag voor andere diensten dan betalingsdiensten gebruikt moet worden, zijn de vereisten van lid 1 ook van toepassing op het voor toekomstige betalingstransacties ontvangen gedeelte van de middelen. Wanneer dat gedeelte variabel of niet tevoren bekend is, kunnen de lidstaten de betalingsinstellingen toestaan dit lid toe te passen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor betalingsdiensten te worden gebruikt, mits een dergelijk representatief gedeelte ten genoegen van de bevoegde autoriteiten redelijkerwijs op basis van historische gegevens kan worden geraamd.

3. De lidstaten of de bevoegde autoriteiten mogen verlangen dat betalingsinstellingen die geen andere de in artikel 16, lid 1, onder c), bedoelde werkzaamheden uitvoeren, ook voldoen aan de beschermingsvereisten van lid 1 van dit artikel.

4. De lidstaten of de bevoegde autoriteiten kunnen de beschermingsvereisten ook beperken tot de betalingsdienstgebruikers van wie de middelen individueel een drempel van 600 EUR overschrijden.