Art. 8 Richtlijn 2007/64/EG, Berekening van eigen vermogen

Richtlijn 2007/64/EG

1. Onverminderd de vereisten voor het aanvangskapitaal neergelegd in artikel 6, verplichten de lidstaten de betalingsinstellingen ertoe te allen tijde een eigen vermogen aan te houden dat berekend wordt conform een van de volgende drie methoden, als bepaald door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de nationale wetgeving:

Methode A

Het eigen vermogen van de betalingsinstelling is een bedrag van ten minste 10 % van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De bevoegde autoriteiten mogen dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betalingsinstelling sinds het voorgaande jaar. Wanneer de betalingsinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend bedraagt het vereiste inzake eigen vermogen 10 % van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de bevoegde autoriteiten een aanpassing van dit plan verlangen.

Methode B

Het eigen vermogen van de betalingsinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met een schaalfactor k, als omschreven in lid 2, waarbij het betalingsvolume een twaalfde is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betalingsinstelling het voorgaande jaar heeft verricht:

a) 4,0 % van het deel van het betalingsvolume tot 5 miljoen EUR,

plus

b) 2,5 % van het deel van het betalingsvolume boven 5 miljoen EUR tot 10 miljoen EUR,

plus

c) 1 % van het deel van het betalingsvolume boven 10 miljoen EUR tot 100 miljoen EUR,

plus

d) 0,5 % van het deel van het betalingsvolume boven 100 miljoen EUR tot 250 miljoen EUR,

plus

e) 0,25 % van het deel van het betalingsvolume boven 250 miljoen EUR.

Methode C

Het eigen vermogen van de betalingsinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator als omschreven onder a), vermenigvuldigd met een multiplicator als omschreven onder b), nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k, als omschreven in lid 2.

a) De relevante indicator is de som van het volgende:

— rente-inkomsten;

— rente-uitgaven;

— ontvangen provisies en vergoedingen, en

— overige bedrijfsopbrengsten.

Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht, kunnen de relevante indicator verlagen als de uitgaven voor rekening komen van een onderneming die onder het toezicht krachtens deze richtlijn valt. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80 % van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.

b) De multiplicator is:

i) 10 % van het deel van de relevante indicator tot 2,5 miljoen EUR,

ii) 8 % van het deel van de relevante indicator boven 2,5 miljoen EUR tot 5 miljoen EUR,

iii) 6 % van het deel van de relevante indicator boven 5 miljoen EUR tot 25 miljoen EUR,

iv) 3 % van het deel van de relevante indicator boven 25 miljoen EUR tot 50 miljoen EUR,

v) 1,5 % boven 50 miljoen EUR.

2. De schaalfactor k die in methode B en methode C wordt gebruikt, is:

a) 0,5 wanneer de betalingsinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht;

b) 0,8 wanneer de betalingsinstelling een in punt 7 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht;

c) 1,0 wanneer de betalingsinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht.

3. De bevoegde autoriteiten kunnen, op basis van een evaluatie van de risicobeheersingsprocessen, het verzamelen en vastleggen van risicoverliezengegevens en het internecontrolesysteem en het bedrijfscontinuïteitsbeheer van de betalingsinstelling, verlangen dat de betalingsinstelling een eigen vermogen aanhoudt dat tot 20 % hoger is dan het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de overeenkomstig lid 1 gekozen methode, of de betalingsinstelling toestaan een eigen vermogen aan te houden dat tot 20 % lager is dan het bedrag dat het resultaat is van de overeenkomstig lid 1 gekozen methode.