Art. 10 Richtlijn 2007/64/EG, Vergunningverlening

Richtlijn 2007/64/EG

1. De lidstaten schrijven voor dat andere ondernemingen dan die bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a) tot en met c), en e) en f), of andere dan natuurlijke en rechtspersonen die in aanmerking komen voor de ontheffing in artikel 26, wanneer zij voornemens zijn betalingsdiensten aan te bieden, een vergunning als betalingsinstelling moeten hebben verkregen alvorens te beginnen met het aanbieden van betalingsdiensten. Vergunningen worden uitsluitend verleend aan rechtspersonen met een vestiging in een lidstaat.

2. Een vergunning wordt verleend indien de gegevens en bewijsstukken die bij de aanvraag gevoegd zijn, geheel in overeenstemming zijn met artikel 5 en indien de bevoegde autoriteiten die de aanvraag onderzocht hebben, over de gehele lijn tot een positief oordeel komen. Voordat een vergunning wordt verleend, kunnen de bevoegde autoriteiten zo nodig de nationale centrale bank of andere relevante overheidsinstanties raadplegen.

3. Een betalingsinstelling die overeenkomstig de nationale wetgeving van haar lidstaat van herkomst een statutaire zetel heeft, moet haar hoofdkantoor hebben in dezelfde lidstaat waar ze haar statutaire zetel heeft.

4. De bevoegde autoriteiten verlenen slechts vergunning indien de betalingsinstelling, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen, solide governancesystemen voor het betalingsdienstenbedrijf heeft, waaronder een duidelijke organisatorische structuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor de detectie, het beheer, de bewaking en verslaglegging van de risico’s waaraan zij blootstaat of bloot kan komen te staan, en adequate interne controleprocedures, zoals een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie; die maatregelen en procedures zijn gedetailleerd uitgewerkt en staan in verhouding tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de betaalinstelling.

5. Wanneer een betalingsinstelling een van de in de bijlage genoemde betalingsdiensten verricht en tegelijk andere werkzaamheden verricht, mogen de bevoegde autoriteiten het opzetten van een aparte entiteit voor de activiteiten in verband met betalingsdiensten verlangen, wanneer de niet met betalingsdiensten verband houdende activiteiten van de betalingsinstelling afbreuk doen of dreigen te doen aan de financiële soliditeit van de betalingsinstelling of aan het vermogen van de bevoegde autoriteiten om te controleren of de betalingsinstelling alle verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn nakomt.

6. De bevoegde autoriteiten weigeren een vergunning te verlenen indien zij, gelet op de noodzaak de gezonde en prudente bedrijfsvoering van een betalingsinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de aandeelhouders of vennoten die een gekwalificeerde deelneming bezitten.

7. Wanneer er tussen de betalingsinstelling en andere natuurlijke of rechtspersonen nauwe banden bestaan als omschreven in artikel 4, punt 46, van Richtlijn 2006/48/EG, verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien deze banden de effectieve uitoefening van hun toezichthoudende taken niet belemmeren.

8. De bevoegde autoriteiten verlenen de vergunning louter indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de kredietinstelling nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, geen belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken.

9. De vergunning is geldig in alle lidstaten en stelt de betrokken betalingsinstelling in staat overal in de Gemeenschap betalingsdiensten aan te bieden, zowel door middel van het vrij verrichten van diensten, als door middel van vrijheid van vestiging, mits de aangeboden diensten door de vergunning worden bestreken.