Art. 28 Verordening (EG) nr. 1974/2006

Verordening (EG) nr. 1974/2006

1. De steun op grond van artikel 39, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 kan betrekking hebben op concrete acties die worden uitgevoerd door andere dan de in lid 2 van dat artikel genoemde begunstigden.

2. De in artikel 27, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde activiteiten in het kader van agromilieuverbintenissen komen niet in aanmerking voor steun op grond van artikel 39, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Steun uit hoofde van artikel 39, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt niet verleend voor activiteiten die subsidiabel zijn op grond van het kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

3. De concrete acties voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de landbouw die op grond van artikel 39, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 voor steun in aanmerking komen, omvatten het volgende:

a) gerichte acties: acties ter bevordering van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw ex situ en in situ, met inbegrip van de totstandbrenging van op het internet gebaseerde inventarissen van de genetische hulpbronnen die momenteel in situ in stand worden gehouden, instandhouding in situ/op het landbouwbedrijf daaronder begrepen, en van de verzamelingen ex situ (genenbanken) en de databases;

b) gecoördineerde acties: acties ter bevordering van de uitwisseling van gegevens ten behoeve van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw in de Gemeenschap tussen de bevoegde organisaties in de lidstaten;

c) begeleidende acties: voorlichtings-, verspreidings- en adviseringsacties waarbij niet-gouvernementele organisaties en andere relevante belanghebbenden worden betrokken, opleidingen en de opstelling van technische verslagen.

4. Voor de toepassing van het onderhavige artikel wordt verstaan onder:

a) „instandhouding in situ”: de instandhouding van genetisch materiaal in ecosystemen en natuurlijke habitats en het behoud en herstel van levensvatbare populaties van soorten of wilde rassen in hun natuurlijke omgeving en, in het geval van gedomesticeerde dierenrassen of gekweekte plantensoorten, in het agrarische milieu waar zij hun onderscheidende kenmerken hebben ontwikkeld;

b) „instandhouding in situ/op het landbouwbedrijf”: instandhouding en ontwikkeling in situ op het niveau van het landbouwbedrijf;

c) „instandhouding ex situ”: de instandhouding van genetisch materiaal voor de landbouw buiten de natuurlijke habitat ervan;

d) „verzameling ex situ”: een verzameling van genetisch materiaal voor de landbouw die buiten de natuurlijke habitat ervan wordt onderhouden.