Art. 27 Verordening (EG) nr. 1974/2006
Verordening (EG) nr. 1974/2006
1. Voor de toepassing van de artikelen 39, leden 1 tot en met 4, en artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 gelden, voor zover relevant, de leden 2 tot en met 13 van het onderhavige artikel.
2. Een verbintenis om veehouderij te extensiveren of anders te beheren voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
a) het grasland wordt verder verzorgd;
b) de volledige beweide oppervlakte wordt onderhouden door een zodanige begrazing per grootvee-eenheid dat niet alleen overbeweiding maar ook onderbenutting wordt voorkomen;
c) voor de bepaling van de veedichtheid wordt rekening gehouden met alle op het bedrijf grazende dieren dan wel, in het geval van een verbintenis ter beperking van de uitspoeling van voedingsstoffen, met alle voor de betrokken verbintenis relevante dieren die op het bedrijf worden gehouden.
3. Verbintenissen om het gebruik van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen of andere productiemiddelen te beperken worden slechts aanvaard indien de toepassing van die beperkingen kan worden beoordeeld op een wijze die een redelijke zekerheid verschaft of de verbintenissen worden nagekomen.
4. De steun kan betrekking hebben op verbintenissen om:
a) landbouwhuisdieren van in het betrokken gebied inheemse lokale rassen die voor de veehouderij verloren dreigen te gaan, op te fokken;
b) plantaardige genetische hulpbronnen die van nature aan de plaatselijke en regionale omstandigheden zijn aangepast en door genetische erosie worden bedreigd, in stand te houden.
De in aanmerking komende soorten landbouwhuisdieren en de criteria om de drempel te bepalen waaronder lokale rassen voor de veehouderij verloren dreigen te gaan, zijn vastgesteld in bijlage IV.
5. Milieuacties die worden uitgevoerd in het kader van de in bijlage I genoemde gemeenschappelijke marktordeningen of regelingen inzake rechtstreekse steunverlening, in het kader van maatregelen op het gebied van de gezondheid van dieren of planten of in het kader van andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling dan de steun op agromilieu- en dierenwelzijnsgebied, vormen geen beletsel voor de toekenning van steun op agromilieu- en/of dierenwelzijnsgebied voor dezelfde productie op voorwaarde dat deze steun een aanvulling vormt op en coherent is met die milieuacties.
Verscheidene agromilieu- en/of dierenwelzijnsverbintenissen mogen met elkaar worden gecombineerd op voorwaarde dat zij elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn.
In geval van een combinatie van de in de eerste en tweede alinea bedoelde acties of verbintenissen wordt bij de bepaling van de hoogte van de steun rekening gehouden met de specifieke gederfde inkomsten en extra kosten die het gevolg zijn van de combinatie.
6. Voor agromilieumaatregelen op land dat overeenkomstig artikel 54 of 107 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is braakgelegd, mag slechts steun worden verleend indien de betrokken agromilieuverbintenissen verder gaan dan naleving van de belangrijkste in artikel 3, lid 1, van die verordening bedoelde eisen.
In geval van steunverlening in berggebieden, in andere gebieden met handicaps, in Natura 2000-landbouwgebieden en in landbouwgebieden die vallen onder stroomgebiedsbeheersplannen zoals bedoeld in Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (13), wordt in de agromilieuverbintenissen naargelang van het geval rekening gehouden met de voor steunverlening in de betrokken gebieden vastgestelde voorwaarden.
7. Elke in artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde dierenwelzijnsverbintenis betreft de toepassing van strengere normen op ten minste één van de volgende gebieden:
a) een verstrekking van water en voer die beter aansluit bij de natuurlijke behoeften van de dieren;
b) huisvestingsomstandigheden zoals beschikbare ruimte, stalstrooisel en natuurlijk licht;
c) toegang tot een buitenuitloop;
d) afzien van het systematisch verminken, het isoleren of het permanent aangebonden houden van dieren;
e) preventie van ziekten die hoofdzakelijk het gevolg zijn van veehouderijmethoden en/of houderijomstandigheden.
8. Het referentieniveau voor de berekening van de gederfde inkomsten en de extra kosten die het gevolg zijn van de aangegane verbintenissen, is het niveau dat overeenkomt met de relevante normen en eisen zoals bedoeld in artikel 39, lid 3, en artikel 40, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005.
9. Indien de verbintenissen normaliter in andere eenheden dan de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 gebruikte eenheden worden gemeten, kunnen de lidstaten de betalingen op basis van die andere eenheden berekenen. In dergelijke gevallen dragen de lidstaten er zorg voor dat de in die bijlage genoemde maximumbedragen per jaar die voor communautaire steun in aanmerking komen, in acht worden genomen. Daartoe kan de lidstaat:
a) een maximum vaststellen voor het aantal eenheden per hectare van het bedrijf waarvoor de agromilieuverbintenis geldt, of
b) voor elk deelnemend bedrijf het maximale totaalbedrag bepalen en ervoor zorgen dat de betalingen voor elk bedrijf dit maximum niet overschrijden.
10. De lidstaten bepalen aan de hand van objectieve criteria of het noodzakelijk is een compensatie voor de in artikel 39, lid 4, en artikel 40, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde transactiekosten te verlenen.
Voor de toepassing van artikel 39, lid 4, en artikel 40, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt onder „transactiekosten” verstaan de met het laten plaatsvinden van de transactie gemoeide kosten die niet rechtstreeks zijn te rekenen tot de uitvoeringskosten van de verbintenis waarop zij betrekking hebben.
Het transactiekostenelement wordt berekend over de duur van de looptijd van de aangegane verbintenis en bedraagt niet meer dan 20 % van de gederfde inkomsten en de extra kosten die het gevolg zijn van die verbintenis.
11. De lidstaten kunnen toestaan dat een verbintenis gedurende de looptijd ervan in een andere verbintenis wordt omgezet, mits alle navolgende voorwaarden zijn vervuld:
a) die omzetting komt het milieu of het dierenwelzijn of beide in belangrijke mate ten goede;
b) de bestaande verbintenis wordt aanzienlijk versterkt;
c) het goedgekeurde programma voor plattelandsontwikkeling voorziet in de betrokken verbintenissen.
Op de in de eerste alinea, onder a) en b), van het onderhavige lid genoemde voorwaarden kan de omzetting van een agromilieuverbintenis in een verbintenis tot eerste bebossing van landbouwgrond overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden toegestaan. De agromilieuverbintenis wordt beëindigd zonder dat terugbetaling wordt verlangd.
12. De lidstaten kunnen de mogelijkheid bieden om agromilieu- of dierenwelzijnsverbintenissen gedurende de looptijd ervan aan te passen op voorwaarde dat het goedgekeurde programma voor plattelandsontwikkeling daarin voorziet en de aanpassing beslist verantwoord is in het licht van de doelstellingen van de verbintenis.
Dergelijke aanpassingen kunnen ook de vorm aannemen van een verlenging van de looptijd van de verbintenis.
13. De omrekeningskoersen van dieren in grootvee-eenheden (GVE) zijn vastgesteld in bijlage V. De lidstaten kunnen deze koersen differentiëren op basis van objectieve criteria en binnen de in die bijlage genoemde grenzen voor de relevante categorieën.