Art. 73 Richtlijn 2006/48/EG
1. De lidstaten of de bevoegde autoriteiten die overeenkomstig de artikelen 125 en 126 verantwoordelijk zijn voor met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten mogen in individuele gevallen kredietinstellingen, financiële instellingen of nevendiensten van het bankbedrijf verrichtende ondernemingen die dochterondernemingen zijn of waarin een deelneming wordt gehouden, buiten de consolidatie houden indien:
a) de desbetreffende onderneming gevestigd is in een derde land waar juridische belemmeringen voor de mededeling van de nodige inlichtingen bestaan;
b) de desbetreffende onderneming volgens de bevoegde autoriteiten in het licht van de doelstellingen van het toezicht op de kredietinstellingen te verwaarlozen is, en in ieder geval indien het balanstotaal van de desbetreffende onderneming lager is dan het laagste van de twee volgende bedragen:
i) 10 miljoen EUR; of
ii) 1 % van het balanstotaal van de moederonderneming, of van de onderneming die de deelneming houdt;
c) de consolidatie van de financiële positie van de desbetreffende onderneming, naar de mening van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, in het licht van de doelstellingen van het toezicht op kredietinstellingen misplaatst of misleidend zou zijn.
Indien in de in lid 1, onder b), bedoelde gevallen verscheidene ondernemingen aan de daar genoemde voorwaarden voldoen, dienen zij toch in de consolidatie te worden opgenomen indien het geheel van deze ondernemingen in het licht van de vermelde doelstellingen, een niet te verwaarlozen belang heeft.
2. De bevoegde autoriteiten verplichten kredietinstellingen die een dochteronderneming zijn, de eisen van de artikelen 75, 120 en 123 en van afdeling 5 op gesubconsolideerde basis toe te passen als deze kredietinstellingen of de moederonderneming als deze een financiële holding is, een kredietinstelling, financiële instelling of een vermogensbeheerder in de zin van artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2002/87/EG als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.
3. De bevoegde autoriteiten verplichten de moeder- en dochterondernemingen die onder deze richtlijn vallen, op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis te voldoen aan het bepaalde in artikel 22, zodat hun regels, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen.