Art. 70 Richtlijn 2006/48/EG
1. Afhankelijk van leden 1 en 2 van dit artikel mogen de bevoegde autoriteiten aan moederkredietinstellingen op ad-hocbasis toestaan om bij de berekening van hun vereisten in het kader van artikel 68, lid 1, dochterondernemingen in aanmerking te nemen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 69, lid 1, onder c) en d), en die aanzienlijke vorderingen hebben op of aanzienlijke verplichtingen hebben jegens deze moederkredietinstelling.
2. De behandeling in lid 1 is alleen toegestaan indien de moederkredietinstelling, met opgaaf van alle omstandigheden en regelingen, ook de wettelijke regelingen, tot genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat er geen feitelijke, praktische of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die, wanneer deze verschuldigd zijn, een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva op de vervaldag door de dochteronderneming aan haar moederonderneming, kunnen verhinderen.
3. Wanneer een bevoegde autoriteit de keuzemogelijkheid van lid 1 uitoefent, brengt zij regelmatig en ten minste eenmaal per jaar aan de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten verslag uit over het gebruik van lid 1 en over de in lid 2 bedoelde omstandigheden en regelingen. Wanneer de dochteronderneming in een derde land is gelegen, verstrekken de bevoegde autoriteiten dezelfde informatie aan de bevoegde autoriteiten van dat derde land.
4. Onverminderd de algemene strekking van artikel 144 maken de bevoegde autoriteiten die de keuzemogelijkheid van lid 1 uitoefenen, op de in artikel 144 aangegeven wijze, de volgende informatie openbaar:
a) de criteria aan de hand waarvan zij vaststellen dat er geen feitelijke, praktische of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva kunnen verhinderen;
b) hoeveel moederkredietinstellingen genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 1 en hoeveel daarvan dochterondernemingen in een derde land hebben; en
c) op geaggregeerde basis voor de lidstaat:
i) het totale bedrag aan eigen vermogen van moederkredietinstellingen die genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 1, dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden;
ii) het percentage van het totale bedrag aan eigen vermogen van moederkredietinstellingen die genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 1, dat gevormd wordt door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden; en
iii) het percentage van het totale bedrag dat moederkredietinstellingen die genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 1, minimaal aan eigen vermogen moeten hebben krachtens artikel 75, dat gevormd wordt door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden.