Art. 69 Richtlijn 2006/48/EG
1. De lidstaten mogen ervoor kiezen om artikel 68, lid 1, niet op een dochteronderneming van een kredietinstelling toe te passen als de desbetreffende lidstaat een vergunning heeft verleend aan en toezicht houdt op zowel de dochteronderneming als de kredietinstelling, de dochteronderneming betrokken is bij het toezicht op geconsolideerde basis van de kredietinstelling die de moederonderneming is, en met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen tussen de moederonderneming en de dochterondernemingen voldaan is aan de volgende voorwaarden:
a) er is geen feitelijke of juridische belemmering aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva door de moederonderneming kan verhinderen;
b) de moederonderneming verstrekt de bevoegde instantie waarborgen ten aanzien van het zorgvuldige beheer van de dochteronderneming en verklaart, met instemming van de bevoegde instantie, dat zij garant staat voor de door de dochtermaatschappij aangegane verplichtingen, of de risico's ten aanzien van de dochteronderneming zijn nauwelijks van betekenis;
c) de risicobeoordeling, meet- en controleprocedures van de moederonderneming omvatten ook de dochteronderneming; en
d) de moederonderneming bezit meer dan 50 % van de stemrechten die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming en/of heeft het recht om het grootste deel van de leden van het leidinggevend orgaan van de in artikel 11 omschreven dochteronderneming aan te stellen of te ontslaan.
2. De lidstaten mogen van de in lid 1 genoemde mogelijkheid gebruikmaken als het bij de moederonderneming om een financiële holding gaat die in dezelfde lidstaat is opgericht als de kredietinstelling en aan hetzelfde toezicht onderworpen is als dat welke op kredietinstellingen wordt uitgeoefend. Dit geldt met name voor de in artikel 71, lid 1, vastgelegde normen.
3. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om artikel 68, lid 1 niet op een moederkredietinstelling in een lidstaat toe te passen als de desbetreffende kredietinstelling is onderworpen aan de vergunning van en het toezicht door de betrokken lidstaat en betrokken is bij het toezicht op geconsolideerde basis, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan, met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen onder de moederonderneming en de dochterondernemingen:
a) er zijn geen feitelijke of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva aan de moederkredietinstelling in een lidstaat kunnen verhinderen; en
b) de risicobeoordeling, meet- en controleprocedures die relevant zijn voor het geconsolideerde toezicht omvatten de moederkredietinstelling in een lidstaat.
De bevoegde autoriteit die gebruik maakt van dit lid stelt de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten op de hoogte.
4. Onverminderd de algemene bepaling van artikel 144, maken de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die de keuzemogelijkheid van lid 3 uitoefenen, op de wijze zoals aangegeven in artikel 144, openbaar:
a) de gehanteerde criteria om vast te stellen of er geen feitelijke, praktische of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva kunnen verhinderen;
b) het aantal moederkredietinstellingen dat genieten van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 3 en het aantal daarvan die beschikken over dochterondernemingen in een derde land; en
c) op geaggregeerde basis voor de lidstaat:
i) het totale bedrag aan eigen vermogen op geconsolideerde basis van de moederkredietinstelling in een lidstaat, die geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 3, die worden aangehouden in dochterondernemingen in een derde land;
ii) het percentage van het totale eigen vermogen op geconsolideerde basis van moederkredietinstellingen in een lidstaat, die geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 3, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat wordt aangehouden in dochterondernemingen in een derde land; en
iii) het percentage van dergelijk totaal minimaal eigen vermogen zoals vereist op grond van artikel 75 op geconsolideerde basis van moederkredietinstellingen in een lidstaat, die geniet van de uitoefening van de keuzemogelijkheid van lid 3, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat wordt aangehouden in dochterondernemingen in een derde land.