Art. 60 Richtlijn 2006/48/EG
Voor de berekening van het eigen vermogen op individuele basis, kunnen de lidstaten bepalen dat kredietinstellingen die onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig hoofdstuk 4, afdeling 1 of aan het aanvullende toezicht overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG, de onder l) tot en met p) van artikel 57 bedoelde bestanddelen die worden gehouden in kredietinstellingen, financiële instellingen, verzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings of herverzekeringsondernemingen die onder het toepassingsgebied van het toezicht op geconsolideerde basis of van het aanvullende toezicht vallen, niet hoeven af te trekken.
Deze bepalingen zijn van toepassing op alle prudentiële regels die door Gemeenschapsbesluiten zijn geharmoniseerd.