Art. 4 Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2006/48/EG

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1) „kredietinstelling”:

a) een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening; of

b) een instelling voor elektronisch geld in de zin van Richtlijn 2000/46/EG (13);

(2) „vergunning”: een door de overheid afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden van een kredietinstelling uit te oefenen;

(3) „bijkantoor”: een bedrijfszetel welke een deel zonder juridische zelfstandigheid vormt van een kredietinstelling en welke rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een kredietinstelling;

(4) „bevoegde autoriteiten”: de nationale autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd zijn om op kredietinstellingen toezicht uit te oefenen;

(5) „financiële instelling”: een onderneming die geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de onder de punten 2 tot en met 12 van de lijst in bijlage I opgenomen werkzaamheden;

(6) „instellingen”, voor de toepassing van de afdelingen 2 en 3 van titel V, hoofdstuk 2: instellingen in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 2006/49/EG;

(7) „lidstaat van herkomst”: de lidstaat waarin aan een kredietinstelling de vergunning werd verleend overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 9 en 11 tot en met 14;

(8) „lidstaat van ontvangst”: de lidstaat waarin een kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht;

(9) „zeggenschap”: het verband dat bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming zoals bepaald in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG of een verband van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;

(10) „deelneming” voor de toepassing van artikel 57, onder o) en p), van de artikelen 71 tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 4: een deelneming in de zin van artikel 17, eerste zin, van de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (14) of de rechtstreekse of middellijke eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een onderneming;

(11) „gekwalificeerde deelneming”: het in een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel een deelneming die de mogelijkheid inhoudt een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van deze onderneming;

(12) „moederonderneming”:

a) een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; of

b) voor de toepassing van de artikelen 71 tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 5 en hoofdstuk 4: een moederonderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming die naar de mening van de bevoegde autoriteiten feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;

(13) „dochteronderneming”:

a) een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; of

b) voor de toepassing van de artikelen 71 tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 5 en hoofdstuk 4: een dochteronderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming die naar de mening van de bevoegde autoriteiten feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent.

Elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

(14) „moederkredietinstelling in een lidstaat”: een kredietinstelling die een kredietinstelling of een financiële instelling als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in zo'n instelling en zelf geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding;

(15) „financiële moederholding in een lidstaat”: een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding;

(16) „EU-moederkredietinstelling”: een moederkredietinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding;

(17) „financiële EU-moederholding”: een financiële holding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een van lidstaten vergunning is verleend, of van een andere in een lidstaat opgerichte financiële holding;

(18) „publiekrechtelijke lichamen”: administratieve organen zonder winstoogmerk die verantwoording moeten afleggen aan de centrale, regionale of lagere overheid of aan overheden die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten dezelfde verantwoordelijkheden dragen als de regionale en lagere overheden, of niet-commerciële ondernemingen die in het bezit zijn van centrale regeringen en uitdrukkelijke waarborgregelingen hebben, en met inbegrip van bij wet geregelde autonome organen met zelfbestuur die onder openbaar toezicht staan;

(19) „financiële holding”: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een kredietinstelling is, en die geen gemengde financiële holding is in de zin van artikel 2, lid 15, van Richtlijn 2002/87/EG (15);

(20) „gemengde holding”: een moederonderneming die geen financiële holding, kredietinstelling of gemengde financiële holding in de zin van artikel 2, lid 15, van Richtlijn 2002/87/EG is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één kredietinstelling telt;

(21) „onderneming die nevendiensten verricht”: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezit of het beheer van onroerend goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of een andere soortgelijke activiteit welke ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft;

(22) „operationeel risico”: het risico van verliezen als gevolg van tekortschietende of falende interne procedures en systemen of als gevolg van externe gebeurtenissen. Juridische risico's worden er ook toe gerekend;

(23) „centrale banken”: daartoe wordt, tenzij anders aangegeven ook de Europese Centrale Bank gerekend;

(24) „verwateringsrisico”: het risico dat een kortlopende vordering afneemt door geldelijke of niet-geldelijke kredieten aan de debiteur;

(25) „kans op wanbetaling (PD)”: de kans dat een tegenpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft;

(26) „verlies”, met het oog op de toepassing van Titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3: economisch verlies, met inbegrip van de gevolgen van aanzienlijke kortingen, en omvangrijke directe en indirecte incassokosten;

(27) „verlies bij wanbetaling (LGD)”: de verhouding tussen het verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling door een tegenpartij en het uitstaande bedrag bij wanbetaling;

(28) „omrekeningsfactor”: de verhouding tussen het momenteel onbenutte bedrag van een kredietlijn dat opgenomen wordt en open staat bij wanbetaling, en het momenteel onbenutte bedrag van de kredietlijn, waarbij de omvang van de kredietlijn wordt bepaald door de toegestane limiet, tenzij de niet-toegestane limiet hoger ligt;

(29) „verwacht verlies (EL)”, met het oog op de toepassing van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3: de verhouding tussen het verlies op een vordering dat bij een eventuele wanbetaling van een tegenpartij of bij verwatering over een periode van een jaar te verwachten is, en het uitstaande bedrag bij wanbetaling;

(30) „kredietrisicolimitering”: een door een kredietinstelling gehanteerde techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan een vordering of aan vorderingen die de kredietinstelling blijft houden;

(31) „volgestorte kredietprotectie”: een techniek van kredietrisicolimitering waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan de vordering van een kredietinstelling, wordt beperkt dankzij het recht van de kredietinstelling om bij wanbetaling van de tegenpartij of bij andere specifieke, kredietgebeurtenissen („credit events”) in verband met de tegenpartij bepaalde activa of posten te liquideren, over te nemen, daarvan het eigendom te verwerven of te behouden dan wel de post te verlagen tot of deze te vervangen door het verschil tussen de post zelf en een vordering op de kredietinstelling;

(32) „niet-volgestorte kredietprotectie”: een techniek van kredietrisicolimitering waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan de vordering van een kredietinstelling wordt beperkt dankzij de garantie van een derde partij om een bepaald bedrag uit te keren bij wanbetaling van de leningnemer of bij andere specifieke kredietgebeurtenissen;

(33) „repo”: een transactie in het kader van een contract dat valt onder de definitie van „retrocessieovereenkomst” of „omgekeerde retrocessieovereenkomst” in artikel 3, lid 1, onder m), van Richtlijn 2006/49/EG;

(34) „transactie inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen”: alle transacties die vallen onder de definitie van „opgenomen effecten- of grondstoffenlening” of „verstrekte effecten- of grondstoffenlening” in artikel 3, lid 1, onder n), van Richtlijn 2006/49/EG;

(35) „met contanten vergelijkbaar instrument”: een certificaat van deposito of soortgelijk papier dat door een leningverstrekkende kredietinstelling wordt uitgegeven;

(36) „securitisatie”: transactie of regeling waarbij het kredietrisico van een vordering of pool van vorderingen wordt onderverdeeld. De kenmerken ervan zijn:

a) de in het kader van de transactie of regeling verrichte betalingen hangen af van de performance van de vordering of pool van vorderingen; en

b) de rangorde van de tranches is bepalend voor de verdeling van de verliezen tijdens de looptijd van de transactie of regeling;

(37) „traditionele securitisatie”: securitisatie waarbij de gesecuritiseerde vorderingen in economische zin worden overgedragen aan een special purpose entity voor securitisatiedoeleinden die effecten uitgeeft. Daartoe wordt het eigendom van de gesecuritiseerde vorderingen door de initiërende kredietinstelling of via subdeelneming overgedragen. De uitgegeven effecten vormen voor de initiërende kredietinstelling geen betalingsverplichting;

(38) „synthetische securitisatie”: securitisatie waarbij de onderverdeling in tranches geschiedt door middel van kredietderivaten of garanties. De pool van vorderingen verdwijnt niet uit de balans van de initiërende kredietinstelling;

(39) „tranche”: een contractueel vastgesteld segment van het kredietrisico van een vordering of van een aantal vorderingen, waarbij een positie in dit segment een groter of kleiner verliesrisico meebrengt dan een positie van dezelfde omvang in elk ander segment, als tenminste geen rekening wordt gehouden met de kredietprotectie die door derden rechtstreeks aan de houders van de posities in dit segment of in andere segmenten wordt geboden;

(40) „securitisatiepositie”: een vordering in het kader van een securitisatie;

(41) „initiator”:

a) een onderneming die zelf of via verwante ondernemingen direct of indirect betrokken is geweest bij de oorspronkelijke overeenkomst waarmee de verplichtingen of de potentiële verplichtingen van de debiteur of potentiële debiteur zijn ontstaan die tot securitisatie van vorderingen hebben geleid; of

b) een onderneming die de vorderingen van een derde koopt, in haar balans opneemt en daarna securitiseert;

(42) „sponsor”: een niet-initiërende kredietinstelling die een door activa gedekt commercieel-papierprogramma of een andere securitisatieregeling waarbij vorderingen van derden worden gekocht, uitgeeft en beheert;

(43) „kredietverbetering”: een contractuele regeling waarbij de kredietkwaliteit van een securitisatiepositie verbetert ten opzichte van een situatie waarin van een dergelijke regeling geen sprake zou zijn geweest; daartoe worden ook verbeteringen gerekend die worden gerealiseerd door meer achtergestelde tranches in de securitisatie en door andere soorten kredietprotectie;

(44) „special purpose entity voor securitisatiedoeleinden (securitisation special purpose entity — SSPE)”: een vennootschap, trust of een ander soort onderneming die geen kredietinstelling is, die is opgericht voor een of meer securitisaties, waarvan de activiteiten beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor de realisatie van dit doel, waarvan de constructie bedoeld is om de SSPE-verplichtingen te scheiden van die van de initiërende kredietinstelling, en waarvan de economische eigenaars hun deelneming mogen in pand geven of verkopen zonder dat daar voorwaarden aan verbonden zijn;

(45) „groep van verbonden cliënten”:

a) hetzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die, behoudens bewijs van het tegendeel, uit een oogpunt van risico een geheel vormen omdat een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de andere persoon of personen; of

b) hetzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen wie geen zeggenschapsrelatie als bedoeld in letter a) bestaat, maar die uit een oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, de andere of alle anderen waarschijnlijk in betalingsmoeilijkheden zouden komen;

(46) „nauwe banden”: een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen op een van de volgende wijzen zijn verbonden:

a) een deelneming in de vorm van het eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband, van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming ;

b) een zeggenschapsband; of

c) het feit dat beide of allen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met een en dezelfde, derde persoon;

(47) „erkende beurzen”: beurzen die door de bevoegde autoriteiten als zodanig zijn erkend en die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) ze werken regelmatig;

b) ze zijn onderworpen aan door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst van de beurs opgestelde of goedgekeurde bepalingen waarin de voorwaarden voor de werking van en de toegang tot de beurs zijn vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaraan contracten moeten voldoen om daadwerkelijk op de beurs verhandeld te kunnen worden; en

c) ze beschikken over een clearingregeling waarbij de in bijlage IV vermelde contracten onderworpen zijn aan dagelijkse margeverplichtingen die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een adequate bescherming bieden.

Uitspraken die dit artikel aanhalen