Art. 154 Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2006/48/EG

1. Tot 31 december 2011 kunnen de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat voor de toepassing van bijlage VI, deel 1, punt 61 het aantal achterstallige dagen vastleggen, en dit tot een maximum van 180 dagen, voor de in bijlage VI, deel 1, punten 12 tot 17 en 41 tot 43 bedoelde vorderingen op op hun grondgebied gevestigde tegenpartijen, indien een dergelijke aanpassing op grond van de plaatselijke voorwaarden passend is. Het specifieke aantal kan variëren naar gelang de aard van het product.

Bevoegde autoriteiten die geen gebruik maken van de in de eerste alinea geboden keuzemogelijkheid voor vorderingen op tegenpartijen die op hun eigen grondgebied gevestigd zijn, kunnen een hoger aantal dagen vastleggen ten aanzien van vorderingen op tegenpartijen die gevestigd zijn op het grondgebied van andere lidstaten waarvan de bevoegde autoriteiten wel van deze keuzemogelijkheid gebruik hebben gemaakt. De termijn moet liggen tussen 90 dagen en het aantal dagen dat de andere bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld voor vorderingen op tegenpartijen die op het eigen grondgebied gevestigd zijn.

2. De termijn van drie jaar zoals vereist in artikel 84, lid 3, kan voor kredietinstellingen die hantering van de IRB vóór 2010 aanvragen, behoudens goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, worden verminderd tot een termijn niet korter dan één jaar tot 31 december 2009.

3. De eis inzake een gebruik gedurende drie jaar zoals bedoeld in artikel 84, lid 4 kan voor kredietinstellingen die het gebruik van eigen ramingen of van LGD's en/of omrekeningsfactoren aanvragen, worden verminderd tot twee jaar tot 31 december 2008.

4. Tot 31 december 2012 kunnen de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat kredietinstellingen toestaan om ten aanzien van deelnemingen van het soort zoals bedoeld in artikel 57(o) die zijn verworven vóór 20 juli 2006, de behandeling te blijven toepassen bedoeld in artikel 38 van Richtlijn 2000/12/EG zoals dit artikel voor 1 januari 2007 luidde.

5. Tot 31 december 2010 ligt het risicogewogen gemiddelde LGD van alle vorderingen op particulieren en kleine partijen waarvoor een woning in zekerheid is gegeven en de centrale overheid geen garantie heeft afgegeven, niet onder de 10 %.

6. Tot 31 december 2017 mogen de bevoegde autoriteiten ermee akkoord gaan dat voor bepaalde posities in aandelen die op 31 december 2007 door kredietinstellingen en EU-dochterondernemingen van kredietinstellingen in deze lidstaat worden gehouden, worden vrijgesteld van de IRB.

De vrijgestelde positie wordt gemeten door het aantal aandelen op 31 december 2007 te nemen en daarbij een aantal aandelen op te tellen, waarvan het aanhouden een rechtstreeks gevolg is van het bezit van deelnemingen, mits door deze bijkomende aandelen niet het belang in een portefeuillemaatschappij is uitgebreid.

Als met een acquisitie het belang in een bepaalde onderneming toeneemt, geldt de vrijstelling niet voor het deel dat uitstijgt boven het oorspronkelijke belang. Evenmin geldt de vrijstelling voor belangen waarvoor oorspronkelijk een vrijstelling gold, maar die verkocht en daarna weer teruggekocht zijn.

De kapitaalvereisten voor posities in aandelen die onder deze overgangsbepaling vallen, worden berekend op basis van titel V, deel 2, afdeling 3, onderafdeling 1.

7. Tot 31 december 2011 mogen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat voor vorderingen op ondernemingen het aantal achterstallige dagen vaststellen opdat er sprake is van wanbetaling; alle kredietinstellingen gevestigd in de desbetreffende lidstaat hanteren in het kader van de definitie van wanbetaling in bijlage VII, deel 4, punt 44, dit aantal voor vorderingen op dergelijke tegenpartijen die in dit land gevestigd zijn. Dit aantal bedraagt minimaal 90 dagen en kan afhankelijk van de lokale omstandigheden oplopen tot 180 dagen. Voor vorderingen op dergelijke tegenpartijen die gevestigd zijn in een andere lidstaat, ligt het aantal door de bevoegde autoriteiten vastgestelde achterstallige dagen niet hoger dan het door de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat vastgestelde aantal.