Art. 152 Richtlijn 2006/48/EG
1. Een kredietinstelling die de risicogewogen posten op basis van de artikelen 84 tot en met 89 berekent, houdt in de eerste, tweede en derde periode van twaalf maanden na 1 januari 2007 een eigen vermogen aan dat te allen tijde gelijk is aan of hoger is dan de in de leden 3, 4 en 5 genoemde bedragen.
2. Een kredietinstelling die voor de berekening van de vereisten ten aanzien van haar eigen kapitaal voor het operationeel risico de in artikel 105 bedoelde geavanceerde meetbenaderingen hanteert, houdt in de tweede en derde periode van twaalf maanden na 1 januari 2007 een eigen vermogen aan dat te allen tijde gelijk is aan of hoger is dan de in de leden 4 en 5 genoemde bedragen.
3. Voor de eerste periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan eigen vermogen overeen met 95 % van het bedrag dat de kredietinstelling ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (23) minimaal aan eigen vermogen tijdens deze periode zou moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden gehouden, zoals die richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG luidde vóór 1 januari 2007.
4. Voor de tweede periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan eigen vermogen overeen met 90 % van het bedrag dat de kredietinstelling ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG minimaal aan eigen vermogen tijdens deze periode zou moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden gehouden, zoals die richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG luidde vóór 1 januari 2007.
5. Voor de derde periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan eigen vermogen overeen met 80 % van het bedrag dat de kredietinstelling ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG minimaal aan eigen vermogen tijdens deze periode zou moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden gehouden, zoals die richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG luidde vóór 1 januari 2007.
6. Om te voldoen aan de leden 1 tot en met 5 wordt uitgegaan van bedragen aan eigen vermogen die volledig zijn aangepast, dit om rekening te houden met verschillen in de berekening van het eigen vermogen op basis van Richtlijn 2000/12/EG en op basis van Richtlijn 93/6/EEG, zoals deze luidden vóór 1 januari 2007 en de berekening op basis van de onderhavige richtlijn, waarin de verwachte en de niet-verwachte verliezen in het kader van de artikelen 84 tot en met 89 afzonderlijk worden behandeld.
7. Op de leden 1 tot en met 6 zijn de artikelen 68 tot en met 73 van toepassing.
8. Tot 1 januari 2008 mogen de kredietinstellingen in plaats van de artikelen van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 1, over de standaardbenadering de artikelen 42 tot en met 46 van Richtlijn 2000/12/EG toepassen, zoals deze luidden vóór 1 januari 2007.
9. Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 8 genoemde mogelijkheid, geldt wat Richtlijn 2000/12/EG betreft het volgende:
a) de artikelen 42 tot en met 46 van die richtlijn zijn van toepassing zoals deze luidden vóór 1 januari 2007;
b) onder de term „naar risico gewogen waarde” in artikel 42, lid 1, van die richtlijn wordt verstaan: „risicogewogen post”;
c) de op basis van artikel 42, lid 2, van die richtlijn berekende bedragen worden beschouwd als risicogewogen posten;
d) kredietderivaten worden onder „Volledig risico” opgenomen in de lijst van posten in bijlage II van die richtlijn; en
e) de in artikel 43, lid 3, van die richtlijn bedoelde methoden gelden voor alle in bijlage IV van die richtlijn genoemde afgeleide instrumenten, ongeacht of het daarbij om balansposten of om posten buiten de balanstelling gaat; de op basis van bijlage III berekende bedragen worden beschouwd als risicogewogen posten.
10. Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 8 geboden mogelijkheid, geldt wat betreft de vorderingen waarvoor de standaardbenadering wordt gevolgd, het volgende:
a) titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 2, over de inaanmerkingneming van kredietrisicolimitering is niet van toepassing;
b) de bevoegde autoriteiten mogen titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 4, over de behandeling van securitisaties buiten beschouwing laten.
11. Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 8 geboden mogelijkheid, wordt het kapitaalvereiste voor het operationele risico dat in artikel 75, onder d), is vastgelegd, verlaagd met een bepaald percentage, dat wordt verkregen door de waarde van de vorderingen van een kredietinstelling waarvoor op basis van deze mogelijkheid risicogewogen posten worden berekend overeenkomstig de in lid 8 geboden mogelijkheid, te delen door de totale waarde van haar vorderingen.
12. Als een kredietinstelling gebruikmaakt van de in lid 8 geboden mogelijkheid en voor al haar vorderingen risicogewogen posten berekent, mogen de artikelen 48 tot en met 50 van Richtlijn 2000/12/EG over grote risico's worden toegepast, zoals deze luidden vóór 1 januari 2007.
13. Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 8 geboden mogelijkheid, worden verwijzingen naar de artikelen 78 tot en met 83 van de onderhavige richtlijn gelezen als verwijzingen naar de artikelen 42 tot en met 46 van Richtlijn 2000/12/EG, zoals deze luidden vóór 1 januari 2007.
14. Indien gebruik wordt gemaakt van de in lid 8 genoemde mogelijkheid, zijn de artikelen 123, 124, 145 en 149 vóór de aldaar genoemde datum niet van toepassing.