Art. 132 Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2006/48/EG

1. De bevoegde autoriteiten werken nauw samen. Zij verstrekken elkaar informatie die van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de toezichthoudende taken waarmee zij in het kader van de onderhavige richtlijn zijn belast. Daartoe geven zij op verzoek alle relevante informatie en komen ze zelf met alle essentiële informatie.

De in de eerste alinea bedoelde informatie wordt als essentieel beschouwd als die de beoordeling van de financiële soliditeit van een kredietinstelling of een financiële instelling in een andere lidstaat in wezenlijke mate zou kunnen beïnvloeden.

Met name verstrekken de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het geconsolideerde toezicht op EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding, aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten die toezicht houden op dochterondernemingen van deze moederondernemingen alle toepasselijke informatie. Wel wordt als het gaat om de hoeveelheid toe te zenden informatie rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiële stelsel.

De in de eerste alinea genoemde essentiële informatie omvat met name gegevens over:

a) de structuur van de groep, alle belangrijke kredietinstellingen van een groep, alsmede de voor de kredietinstellingen van de groep bevoegde autoriteiten;

b) procedures voor de verzameling van informatie bij de kredietinstellingen van een groep, alsmede de toetsing van deze informatie;

c) ongunstige ontwikkelingen bij kredietinstellingen of andere entiteiten van een groep die ernstige nadelige gevolgen voor de kredietinstellingen zouden kunnen hebben; en

d) belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met deze richtlijn hebben getroffen; zo kan in het kader van artikel 136 een extra kapitaalvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de kapitaalvereisten op basis van artikel 105.

2. De bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een EU-moederkredietinstelling, treden wanneer dit enigszins mogelijk is in contact met de in artikel 129, lid 1, genoemde bevoegde autoriteit als zij informatie nodig hebben over de invoering van benaderingen en methodieken zoals beschreven in de onderhavige richtlijn, en deze bevoegde autoriteit eventueel al beschikt over de desbetreffende informatie.

3. Voordat ze een besluit nemen dat van belang is voor de toezichthoudende taken van andere bevoegde autoriteiten, raadplegen de desbetreffende bevoegde autoriteiten elkaar over:

a) veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie of de bestuursstructuur van kredietinstellingen in een groep die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen; en

b) belangrijke sancties of buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben getroffen; zo kan in het kader van artikel 136 een extra kapitaalvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de kapitaalvereisten op basis van artikel 105.

Voor de toepassing van punt b) wordt in ieder geval het advies ingewonnen van de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis.

Een bevoegde autoriteit mag evenwel besluiten om geen advies in te winnen, maar alleen als er sprake is van een noodsituatie of als de besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In dat geval brengt de bevoegde autoriteiten de andere bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld op de hoogte.