Art. 129 Richtlijn 2006/48/EG
1. De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding, neemt, naast de verplichtingen die krachtens de bepalingen van deze richtlijn op haar rusten, de volgende taken op zich:
a) ze coördineert de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties; en
b) ze plant en coördineert toezichtactiviteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties. Daaronder vallen ook de in artikel 124 genoemde activiteiten, waarbij wordt samengewerkt met de andere bevoegde autoriteiten.
2. Als een EU-moederkredietinstelling met haar dochterondernemingen of de gezamenlijke dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding een aanvraag indienen voor de in artikel 84, lid 1, artikel 87, lid 9, artikel 105, of in bijlage III, deel 6, bedoelde vergunning, beslissen de bevoegde autoriteiten in onderling overleg of de aanvraag wordt ingewilligd en welke voorwaarden eventueel aan zo'n vergunning moeten worden verbonden.
Een aanvraag als bedoeld in de eerste alinea, wordt alleen ingediend bij de in lid 1 genoemde bevoegde autoriteit.
De bevoegde autoriteiten stellen alles in het werk om binnen zes maanden een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen. De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit doet dit gezamenlijk besluit schriftelijk, met volledige opgaaf van redenen, aan de aanvrager toekomen.
De in de derde alinea bedoelde termijn vangt aan op de datum waarop de volledige aanvraag door de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit is ontvangen. De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit zendt de volledige aanvraag onverwijld toe aan de andere bevoegde autoriteiten.
Als er binnen zes maanden geen gezamenlijk besluit is, bepaalt de in lid 1 genoemde autoriteit op eigen gezag of de aanvraag wordt ingewilligd. Het besluit wordt op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en met inaanmerkingneming van de gedurende de zes maanden door de andere bevoegde autoriteiten geuite standpunten en voorbehouden. De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit doet het besluit aan de aanvrager en aan de andere bevoegde autoriteiten toekomen.
De in de derde en vijfde alinea bedoelde besluiten worden door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten als definitief erkend en toegepast.