Art. 60, Kortingen en uitsluitingen ten aanzien van schapen en geiten waarvoor steun is aangevraagd

1. Indien ten aanzien van steunaanvragen in het kader van de steunregeling voor schapen en geiten overeenkomstig artikel 57, lid 3, een verschil wordt vastgesteld, is het bepaalde in artikel 59, leden 2, 3 en 4, van overeenkomstige toepassing vanaf het eerste dier waarvoor onregelmatigheden worden vastgesteld.

2. Indien wordt vastgesteld dat een producent van schapenvlees die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkoopt, heeft verzuimd deze verkoopactiviteit in zijn premieaanvraag te vermelden, wordt het premiebedrag waarop hij aanspraak kan maken, verlaagd tot het premiebedrag dat geldt voor producenten van schapenvlees die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkopen, minus het verschil tussen dit laatste premiebedrag en het volledige bedrag van de ooienpremie.

3. Indien ten aanzien van aanvragen om de aanvullende premie wordt vastgesteld dat minder dan 50 % van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in gebieden als bedoeld in artikel 114, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, wordt de aanvullende premie niet betaald en wordt de ooien- en geitenpremie verlaagd met een bedrag dat overeenkomt met 50 % van de aanvullende premie.

4. Indien wordt vastgesteld dat minder dan 50 % van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in de gebieden die zijn vermeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2550/2001, wordt de geitenpremie niet betaald.

5. Indien wordt vastgesteld dat een verweidende producent die een aanvraag om de aanvullende premie heeft ingediend, niet ten minste 90 % van zijn dieren gedurende ten minste 90 dagen in een gebied als bedoeld in artikel 114, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 heeft geweid, wordt de aanvullende premie niet betaald en wordt de ooien- of geitenpremie verlaagd met een bedrag dat overeenkomt met 50 % van de aanvullende premie.

6. Indien wordt vastgesteld dat een onregelmatigheid als bedoeld in lid 2, 3, 4 of 5 het gevolg is van een opzettelijke niet-naleving, wordt het totale in die leden bedoelde steunbedrag geweigerd.

In dat geval wordt de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag dat gelijk is aan dat steunbedrag. Dit bedrag wordt verrekend met de steunbetalingen in het kader van de steunregeling voor schapen en geiten waarop de landbouwer aanspraak kan maken op grond van de aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin de onregelmatigheid wordt vastgesteld.

7. Wanneer voor landbouwers die ooien en geiten houden die recht geven op hetzelfde premieniveau, bij een controle ter plaatse een verschil blijkt in de samenstelling van de kudde wat de aantallen dieren per soort betreft, worden de dieren geacht tot dezelfde groep te behoren.

Uitspraken die dit artikel aanhalen