Art. 6 Verordening (EG) nr. 796/2004, Identificatie van de percelen landbouwgrond
1. Het in artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond wordt toegepast op het niveau van referentiepercelen zoals kadastrale of topografische percelen die een unieke identificatie van elk referentieperceel garanderen.
De lidstaten zorgen er bovendien voor dat de percelen landbouwgrond op betrouwbare wijze worden geïdentificeerd en verlangen met name dat de verzamelaanvraag vergezeld gaat van de door de bevoegde autoriteit bepaalde gegevens of documenten die het mogelijk maken elk perceel landbouwgrond te lokaliseren en te meten. Het GIS functioneert op basis van een nationaal geodetisch systeem.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat voor ten minste 75 % van de referentiepercelen waarop een steunaanvraag betrekking heeft, ten minste 90 % van de oppervlakte van het referentieperceel subsidiabel is op grond van de bedrijfstoeslagregeling. Deze beoordeling wordt op jaarbasis verricht met gebruikmaking van passende statistische methoden.
3. Wat de in titel IV, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde areaalbetaling voor noten betreft, nemen de lidstaten waarvoor het in artikel 84, lid 3, van die verordening vastgestelde gegarandeerde maximumareaal meer dan 1 500 ha bedraagt, met ingang van 1 januari 2006 in het GIS een extra informatielaag op die betrekking heeft op het aantal bomen per perceel, de betrokken boomsoorten, de standplaats van de bomen en de berekening van de oppervlakte van de boomgaarden.