Art. 2, Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1. „bouwland”: voor teelt van gewassen gebruikte grond en braakgelegde grond of grond die overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr 1782/2003 in een goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden, of grond onder een kas of onder een vaste of verplaatsbare beschutting;
2. „blijvend grasland”: grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf wordt opgenomen;
3. „identificatie- en registratieregeling voor runderen”: de bij Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad (6) vastgestelde identificatie- en registratieregeling voor runderen;
4. „oormerk”: het oormerk om dieren individueel te identificeren als bedoeld in artikel 3, onder a), en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1760/2000;
5. „gecomputeriseerd gegevensbestand voor runderen”: het in artikel 3, onder b), en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde gecomputeriseerde gegevensbestand;
6. „dierpaspoort”: het in artikel 3, onder c), en artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde dierpaspoort;
7. „register”: het register dat houders van dieren bijhouden overeenkomstig respectievelijk artikel 4 van Richtlijn 92/102/EEG van de Raad (7), artikel 5 van Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad (8) of artikel 3, onder d), en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000;
8. „elementen van de identificatie- en registratieregeling voor runderen”: de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde elementen;
9. „identificatiecode”: de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde identificatiecode;
10. „onregelmatigheid”: elke niet-inachtneming van de voor de toekenning van de betrokken steun relevante voorschriften;
11. „verzamelaanvraag”: de aanvraag om rechtstreekse betalingen op grond van de bedrijfstoeslagregeling en de andere oppervlaktegebonden steunregelingen zoals vastgesteld in de titels III en IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003;
12. „oppervlaktegebonden steunregelingen”: de bedrijfstoeslagregeling en alle in titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde steunregelingen met uitzondering van de steunmaatregelen die zijn vastgesteld in de hoofdstukken 7, 11 en 12 van die titel;
13. „steunaanvraag voor dieren”: de aanvraag tot betaling van steun op grond van de regeling inzake schapen- en geitenpremies en de regelingen inzake rundvleesbetalingen zoals vastgesteld in hoofdstuk 11, respectievelijk hoofdstuk 12 van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003;
14. „melkpremieaanvraag”: de aanvraag tot betaling van steun op grond van de regeling inzake de melkpremie en de extra betalingen zoals vastgesteld in hoofdstuk 7 van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003;
15. „grondgebruik”: het gebruik van de grond in de zin van het type van gewas of bodembedekker of het ontbreken van een gewas;
16. „steunregelingen voor rundvee”: de in artikel 121 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde steunregelingen;
17. „steunregeling voor schapen en geiten”: de in artikel 111 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde steunregeling;
18. „runderen waarvoor steun is aangevraagd”: runderen waarvoor in het kader van de steunregelingen voor rundvee een steunaanvraag voor dieren is ingediend;
19. „runderen waarvoor geen steun is aangevraagd”: runderen waarvoor nog geen steunaanvraag voor dieren is ingediend, maar die in aanmerking kunnen komen voor steun op grond van de steunregelingen voor rundvee;
20. „aanhoudperiode”: de periode waarin een dier waarvoor steun is aangevraagd, overeenkomstig de navolgende bepalingen op het bedrijf moet worden gehouden:
a) de artikelen 5 en 9 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen (9) wat de speciale premie voor mannelijke runderen betreft,
b) artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 wat de zoogkoeienpremie betreft,
c) artikel 37 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 wat de slachtpremie betreft,
d) artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2550/2001 van de Commissie van 21 december 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 2529/2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2419/2001 (10) wat de schapen- en geitenpremies betreft;
21. „houder van dieren”: een natuurlijke of rechtspersoon die op permanente of tijdelijke basis verantwoordelijk is voor dieren, ook tijdens het vervoer of op een markt;
22. „geconstateerde oppervlakte”: de oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan; in het geval van de bedrijfstoeslagregeling kan de aangegeven oppervlakte slechts als geconstateerd worden beschouwd indien deze daadwerkelijk gepaard gaat met een overeenkomstig aantal toeslagrechten;
23. „geconstateerd dier”: een dier waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan;
24. „premieperiode”: de periode waarop steunaanvragen betrekking hebben, ongeacht het tijdstip waarop zij zijn ingediend;
25. „geografisch informatiesysteem” (hierna „GIS” genoemd): de in artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde technieken op basis van een geautomatiseerd geografisch informatiesysteem;
26. „referentieperceel”: een geografisch begrensde oppervlakte met een in het GIS geregistreerde unieke identificatie in het identificatiesysteem van de lidstaat als bedoeld in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1782/2003;
27. „grafisch materiaal”: kaarten of andere documenten die worden gebruikt voor communicatie over de inhoud van het GIS tussen de aanvragers van steun en de lidstaten;
28. „nationaal geodetisch systeem”: een referentiestelsel van coördinaten dat een gestandaardiseerde meting en een unieke identificatie van de percelen landbouwgrond in de hele betrokken lidstaat mogelijk maakt; indien verschillende coördinatenstelsels worden gebruikt, moeten deze binnen elke lidstaat onderling compatibel zijn;
29. „betaalorgaan”: de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad (11) bedoelde diensten en instanties;
30. „randvoorwaarden”: de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de voorwaarden inzake een goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van Verordening (EG) nr. 1782/2003;
31. „terreinen van de randvoorwaarden”: de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde verschillende gebieden die worden onderscheiden voor de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, en de in bijlage IV bij die verordening bedoelde goede landbouw- en milieuconditie;
32. „besluit”: elk van de afzonderlijke richtlijnen en verordeningen die zijn vermeld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1782/2003; de in de punten 6, 7, 8 en 8 bis van bijlage III bij die verordening genoemde richtlijn en verordeningen vormen echter samen een enkel besluit;
33. „norm”: de overeenkomstig artikel 5 van en bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 door de lidstaten vastgestelde normen;
34. „eis”: indien gebruikt in de context van de randvoorwaarden, elke afzonderlijke uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis die is gebaseerd op een van de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde artikelen van een bepaald besluit, welke eis inhoudelijk verschilt van de andere in hetzelfde besluit gestelde eisen;
35. „niet-naleving”: elke niet-naleving van de eisen en normen; niet-nakoming van de bij artikel 4 van de onderhavige verordening opgelegde verplichtingen geldt eveneens als een niet-naleving;
36. „gespecialiseerde instanties”: de nationale bevoegde autoriteiten die er overeenkomstig artikel 25, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 op moeten toezien dat de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de voorwaarden inzake een goede landbouw- en milieuconditie worden nageleefd;
37. „geconstateerde individuele referentiehoeveelheid”: de individuele referentiehoeveelheid waarop de landbouwer recht heeft.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 20 mei 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ5723
- CBb 6 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:240
- CBb 14 januari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:11
- CBb 29 februari 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV8222
- CBb 27 juli 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BU3239
- CBb 2 juli 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BN0926
- CBb 23 juni 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BN0427
- CBb 4 maart 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BM2491
- CBb 1 oktober 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BK1198
- CBb 22 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI4348
- CBb 22 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI4347
- CBb 20 februari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BH4684
- CBb 18 februari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BH4683
- CBb 12 februari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BH4536
- CBb 10 februari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BH4487
- CBb 29 april 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BD2413
- CBb 16 april 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BD0180
- CBb 21 februari 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BC8242
- CBb 11 januari 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BC3540
- CBb 11 januari 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BC3539