Art. 4 Verordening (EG) nr. 796/2004, Instandhouding van het blijvend grasland op individueel niveau

Verordening (EG) nr. 796/2004

1. Indien blijkt dat het in artikel 3, lid 1, van de onderhavige verordening bedoelde aandeel van het blijvend grasland afneemt, legt de betrokken lidstaat op nationaal of regionaal niveau aan de landbouwers die steun aanvragen in het kader van welke dan ook van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde regelingen inzake rechtstreekse betalingen, de verplichting op dat zij blijvend grasland niet zonder voorafgaande toestemming mogen omzetten.

2. Indien blijkt dat de nakoming van de in artikel 3, lid 2, van de onderhavige verordening neergelegde verplichting niet kan worden gegarandeerd, legt de betrokken lidstaat, ter aanvulling van de overeenkomstig lid 1 genomen maatregelen, op nationaal of regionaal niveau aan de landbouwers die steun aanvragen in het kader van welke dan ook van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde regelingen inzake rechtstreekse betalingen, de verplichting op dat die landbouwers die beschikken over land dat van blijvend grasland in land voor andere vormen van grondgebruik is omgezet, land opnieuw in blijvend grasland moeten omzetten.

In 2005 geldt deze verplichting ten aanzien van blijvend grasland dat in land voor andere vormen van grondgebruik is omgezet sinds de uiterste datum voor de indiening van de steunaanvragen „oppervlakten” voor 2003. Vanaf 2006 geldt deze verplichting voor blijvend grasland dat aldus is omgezet sinds het begin van de periode van twaalf maanden voorafgaande aan de meest recente datum waarop overeenkomstig artikel 11 van de onderhavige verordening de verzamelaanvragen in de betrokken lidstaat uiterlijk moesten worden ingediend.

In een dergelijk geval zetten de landbouwers een percentage van de betrokken oppervlakte opnieuw in blijvend grasland om of leggen zij een daarmee overeenkomende oppervlakte blijvend grasland aan. Dat percentage wordt berekend op basis van de door de landbouwer in een ander grondgebruik omgezette oppervlakte en de oppervlakte die nodig is om het evenwicht te herstellen.

Indien het betrokken land echter is overgedragen nadat het in land voor andere vormen van grondgebruik was omgezet, geldt deze verplichting slechts indien de overdracht na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening heeft plaatsgevonden.

In afwijking van artikel 2, punt 2, van de onderhavige verordening worden oppervlakten die opnieuw in blijvend grasland worden omgezet of waarop blijvend grasland wordt aangelegd, vanaf de eerste dag van de heromzetting of aanleg als „blijvend grasland” beschouwd.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde verplichtingen voor landbouwers gelden evenwel niet in het geval dat landbouwers blijvend grasland hebben aangelegd in het kader van programma’s op grond van Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad van 30 juni 1992 betreffende landbouwproductiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming, en betreffende natuurbeheer (12), Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (13) of Verordening (EG) nr. 1017/94 van de Raad van 26 april 1994 betreffende de omschakeling van akkerbouwareaal op de extensieve veehouderij in Portugal (14).