Art. 50, Bepaling van de berekeningsgrondslag in het licht van de aangegeven oppervlakten

1. Voor de aanvragen om steun in het kader van de oppervlaktegebonden steunregelingen met uitzondering van die voor zetmeelaardappelen en zaaizaad als bedoeld in hoofdstuk 6, respectievelijk hoofdstuk 9 van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 geldt dat, indien de voor een gewasgroep geconstateerde oppervlakte groter blijkt te zijn dan de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte, de aangegeven oppervlakte wordt gebruikt voor de berekening van de steun.

2. Onverminderd eventuele kortingen of uitsluitingen die overeenkomstig de artikelen 51 en 53 moeten worden toegepast na de feitelijke constatering van de oppervlakte, geldt voor een aanvraag om steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling dat, indien er een verschil is tussen de aangegeven toeslagrechten en de aangegeven oppervlakte, de bedrijfstoeslag wordt berekend op basis van het kleinste aantal.

3. Onverminderd kortingen en uitsluitingen overeenkomstig de artikelen 51 en 53, geldt voor aanvragen om steun in het kader van de oppervlaktegebonden steunregelingen met uitzondering van die voor zetmeelaardappelen en zaaizaad als bedoeld in hoofdstuk 6, respectievelijk hoofdstuk 9 van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 dat, indien voor een gewasgroep de in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, de betrokken steun wordt berekend op basis van de voor die gewasgroep geconstateerde oppervlakte.

4. Onverminderd kortingen en uitsluitingen overeenkomstig de artikelen 51 en 53, geldt voor aanvragen om steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling ten aanzien van braakleggingstoeslagrechten het volgende voor de toepassing van de in artikel 2, punt 22, gegeven omschrijving van het begrip „geconstateerde oppervlakte”:

a) indien een landbouwer niet zijn hele oppervlakte aangeeft met het oog op activering van de braakleggingstoeslagrechten waarover hij beschikt, maar tegelijk ten behoeve van de activering van andere toeslagrechten een overeenkomstige oppervlakte aangeeft, wordt die oppervlakte geacht als een braakgelegde oppervlakte te zijn aangegeven en niet te zijn geconstateerd ten behoeve van de in artikel 49, lid 1, onder a), bedoelde gewasgroep;

b) indien wordt vastgesteld dat een oppervlakte die als een braakgelegde oppervlakte is aangegeven, niet is braakgelegd, wordt die oppervlakte geacht niet te zijn geconstateerd.

5. Voor de oppervlakten die zijn aangegeven voor de specifieke kwaliteitspremie voor durumtarwe als bedoeld in artikel 72 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en voor de toeslag voor durumtarwe en het specifieke steunbedrag als bedoeld in artikel 105 van die verordening geldt dat, indien een verschil wordt vastgesteld tussen de door de lidstaat bepaalde minimumhoeveelheid goedgekeurd zaad en de daadwerkelijk gebruikte hoeveelheid, voor de constatering van de oppervlakte de totale hoeveelheid goedgekeurd zaad waarvoor de landbouwer het bewijs heeft geleverd dat deze is gebruikt, wordt gedeeld door de minimumhoeveelheid goedgekeurd zaad per hectare die de lidstaat voor het betrokken productiegebied heeft bepaald.

6. De maximumoppervlakte die in aanmerking komt voor de betalingen aan de landbouwers die de in titel IV, hoofdstuk 10, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde areaalbetaling voor akkerbouwgewassen hebben aangevraagd, wordt berekend op basis van de geconstateerde braakgelegde oppervlakte en verhoudingsgewijs voor elk betrokken gewas. Op de betalingen aan de producenten van akkerbouwgewassen wordt evenwel geen grotere korting in verband met de geconstateerde braakgelegde oppervlakte toegepast dan een verlaging tot het betalingsniveau dat overeenkomt met de oppervlakte die nodig zou zijn voor de productie van 92 ton granen als bedoeld in artikel 107, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

7. Indien een landbouwer door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 72 zijn verplichtingen niet heeft kunnen nakomen, behoudt hij zijn recht op de steun voor de oppervlakte die subsidiabel was toen de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheid zich voordeed.

Uitspraken die dit artikel aanhalen