Art. 49, Algemene beginselen
1. Voor de toepassing van deze afdeling worden, waar dat relevant is, de volgende gewasgroepen onderscheiden:
a) de voor de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling bestemde oppervlakten, waarbij al naar het geval voor elke oppervlakte wordt voldaan aan de specifieke voorwaarden die ervoor gelden;
b) de oppervlakten waarvoor een verschillend steunbedrag geldt;
c) de braakgelegde oppervlakten die worden aangegeven in het kader van de in titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde steunregelingen en, in voorkomend geval, de braakgelegde oppervlakten waarvoor een verschillend steunbedrag geldt;
d) de met het oog op artikel 131 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 aangegeven voederarealen;
e) de met het oog op artikel 132 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 aangegeven voederarealen, andere dan grasland en andere dan voor de productie van akkerbouwgewassen gebruikte arealen in de zin van artikel 132, lid 3, onder b), van die verordening;
f) het met het oog op artikel 132 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 aangegeven grasland in de zin van artikel 132, lid 3, onder c), van die verordening.
In afwijking van punt b) wordt voor de toepassing van punt a) het gemiddelde in aanmerking genomen van de waarden van de verschillende toeslagrechten waarvoor de desbetreffende aangegeven oppervlakte wordt gebruikt.
2. Indien de voor de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling geconstateerde oppervlakte kleiner is dan de aangegeven oppervlakte, geldt het volgende om uit te maken welke van de toeslagrechten overeenkomstig artikel 45, lid 1, en artikel 42, lid 8, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 moeten worden toegevoegd aan de nationale reserve:
a) de geconstateerde oppervlakte wordt in aanmerking genomen te beginnen met de toeslagrechten met de hoogste waarde;
b) eerst worden de toeslagrechten met de hoogste waarde toegewezen aan die oppervlakte en vervolgens vindt toewijzing plaats in dalende volgorde van de waarde.
Voor de toepassing van dit lid worden de braakleggingstoeslagrechten en de andere toeslagrechten afzonderlijk behandeld.
3. Indien dezelfde oppervlakte dient als basis voor in het kader van meer dan één oppervlaktegebonden steunregeling aangevraagde steunbedragen, wordt die oppervlakte voor elk van die steunregelingen afzonderlijk in aanmerking genomen.